Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan gaf, is het water dus uitnemend geschikt, om in den doop de afwassching der zonden en de geestelijke vernieuwing af te beelden en te verzekeren. Daarom is het ook niet noodig, gelijk Rome beweert, dat het doopwater te voren op Paasch- of Pinkster-Zaterdag gewijd en met olie gemengd zij '). Veel minder mag met de Paulicianen het gebruik van water nagelaten worden, wijl Christus het levende water is, of met andere secten de doop door inbranding van een merkteeken of door geeseling ten bloede toe vervangen worden 2). Zelfs is het overbodig, om met Beza en anderen toe te geven, dat, als water ontbreekt, eene andere vloeistof gebruikt mag worden, want zulk een geval is zoo goed als onmogelijk 3).

In den eersten tijd bestond de handeling van doopen daarin, dat de doopeling in het water ondergedompeld en na een oogenblik daaruit weer opgetrokken werd. Het Grieksche woord panri£w wijst daar reeds op, want het beteekent letterlijk doopen, indoopen Joh. 13 : 26, en geeft ook dan, wanneer het in ruimer zin voor wasschen, Mt. 15 : 2, Mk. 7 : 4, Luk. 11: 38, Hebr. 9:10, of overdrachtelijk, Mt. 3 :11, 20 : 22, Hd. 1: 5 enz., wordt gebezigd, zulk eene handeling te kennen, waarbij de persoon of zaak, die gedoopt wordt, geheel en al wordt ondergedompeld en gereinigd. Voorts toonen de gevallen, welke de Schrift verhaalt, duidelijk aan, dat de doop in den apostolischen tijd bij wijze van onderdompeling plaats had, Mt. 3 : 6, .Joh. 3 : 23, Hd. 8 : 38. En eindelijk is de phraseologia sacramentalis geheel en al op deze wijze van doopsbediening gebouwd, Rom. 6 : 4, G-al. 3 : 27, Col. 2 :12. Eeuwenlang is de immersio dan ook in de Christelijke kerk in gebruik gebleven; de Grieksche kerk houdt er nog aan vast; besprenging (adspersio) of liever begieting (infusio) kwam in de oude tijden alleen voor, als er geen water genoeg was 4), of als kranken op hun leger gedoopt moesten worden (baptismus clinicorum); Cyprianus 6) verdedigde in dit laatste geval de adspersio of perfusio met beroep op Ezech. 36:25, maar overigens spreken de kerkvaders van den doop als van eene onderdompeling in het water 6). Paus

x) Catech. Eom. II 2 qu. 47.

2) De Moor, Comm. V 409 —411.

3) M. Vitringa, Doctr. VII 14.

4) Didache c. 7.

5) Cyprianus, Ep. 69, 12.

6) Suicerus, s. v. avaövio.

Sluiten