Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werking niet besluit binnen het woord, zoo is het ook bij het water van den doop. In Ef. 5 : 26 zijn de woorden sv niet, gelijk

<le Lutherschen willen, eene nadere bepaling van Iovtqm of vóarog, want dan hadden zij het artikel vóór zich vereischt: fo of tov sv Qi^iccTi. Maar zij behooren bij ayiuarj: Christus heiligde zijne gemeente door het woord des Evangelies, terwijl Hij ze reinigde door het bad des waters. Paulus onderscheidt hier juist de werking van •Christus door het woord van die door het water, evenals dat ook geschiedt in Hebr. 10: 22 en 1 Petr. 3:21. Niet de dienaar en niet het water, maar Christus heiligt en geeft de beteekende zaak, Mt. 3:11, 1 Cor. 6 :11, Hebr. 9:14, 1 Joh. 1: 7. Als het water •des doops de wedergeboorte bewerkte, had Paulus in 1 Cor. 1:14 niet kunnen zeggen, dat Christus hem niet zond, om te doopen, maar om het Evangelie te verkondigen. Doch hoezeer er verschil is over de wijze, waarop teeken en beteekende zaak in den doop verbonden zijn, er is overeenstemming ten aanzien van de realiteit dier verbinding. Ook de Gereformeerde kerk belijdt, dat Christus in den doop aan een iegelijk, die hem in den geloove ontvangt, toezegt en verzekert, dat hij zoo zekerlijk met zijn bloed en Geest van de onreinheid der ziel is gewasschen, als hij uitwendig met het water, hetwelk ■de onzuiverheid des lichaams pleegt weg te nemen, gewasschen is 1).

Ook over de weldaden, die in den doop aan de volwassen geloovigen geschonken worden, bestaat er in hoofdzaak overeenstemming. Zij zijn alle begrepen in de gemeenschap met den drieëenigen God, in welke de geloovige door den doop wordt ingelijfd, Mt. 28: 19. De Vader betuigt ons in den doop, dat Hij met ons een ■eeuwig verbond der genade opricht, en ons tot zijne kinderen en erfgenamen aanneemt, Gen. 17 :7, 10, Hd. 2 : 39. De Zoon verzegelt ons, dat Hij ons wascht in zijn bloed en ons inlijft in de gemeenschap zijns doods en zijner wederopstanding, Rom. 6 : 3, Gal. 3 : 27. De H. Geest verzegelt ons, dat Hij in ons woont en ons tot lidmaten van Christus heiligt, 1 Cor. 6 : 11, 12 : 13, Tit. 3 : 5. Nader uitgewerkt, zijn deze weldaden: 1° De rechtvaardigmaking of de vergeving der zonden, Mk. 1: 4, Hd. 2 : 38, 22 :16, 1 Petr. 3 : 21, Hebr. 10:22. Doedes meent, dat deze weldaad niet bij den doop, maar eerst bij het avondmaal in aanmerking komt, wijl de doop een -doop der bekeering tot vergeving der zonden wordt genoemd 2). Maar

1) Heid. Catech. vr. 69.

2) Docdes, Leer der Zaligheid bl. 326.

Sluiten