Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de genade, die het behoeft. Maar die genade, welke het kind ontvangt, wordt dan weer zeer verschillend omschreven. Sommige scholastici zeiden, dat den kinderen bij den doop geene deugden werden ingestort noch actu noch habitu noch radice, maar dat deze hun later werden medegedeeld, wanneer zij opgroeiden, of ook, wanneer zij stierven, geschonken werden bij de scheiding der ziel van het lichaam; anderen meenden, dat de kinderen bij den doop de deugden ontvingen, hetzij secundum radicem of secundum habitum 1). Trente stelde vast, dat de sacramenten des N. Test. de genade in zich bevatten en allen mededeelen, die geen hindernis in den weg stellen, zoodat ook de kinderen in den doop de genade en de deugden ontvangen ex opere operato, en niet van te voren geloovigen zijn maar door den doop geloovigen worden 2). De Lutherschen bestreden, dat de kinderen vóór den doop geloof hadden en eveneens, dat zij in aliena fide werden gedoopt, doch leerden, dat zij in den doop bet geloof ontvingen, en wel niet habitu of potentia slechts, doch zelfs actu. Per baptismum et in baptismo Spiritus S. fidem veram, salvificam, vivificam et actualem accendit in infantibus, unde et infantes baptizati vere credunt 3). Ook enkele Gereformeerde theologen, Pareus, Baronius, Forbesius a Corse, Davenant, Ward, de Brais in Saumur e. a. leerden, dat aan alle kinderen in den doop eene zekere genade van vergeving en wedergeboorte geschonken werd, welke, wanneer zij jong stierven, voldoende ter zaligheid was, maar anders hunnerzijds door persoonlijk geloof aanvaard en bevestigd moest worden 4). En hiermede komt de leer der High Churchmen van een baptismal regeneration overeen.

3°. Ook deze leer wordt door vele bezwaren gedrukt. De fides aliena, die eerst bij Augustinus e. a. nog als eene herinnering aan het volgens de Schrift voor den doop vereischte geloof gehandhaafd werd, wordt geheel overtollig, als de doop ex opere operato de genade mededeelt en in het kind niets anders dan eene capacitas passiva onderstelt. Wanneer kinderen dan reeds de genade des doops kunnen ontvangen, als zij geen obex in den weg stellen,

1) Conim. op Sent. IV dist. 4. Bijv. Bonaventura, ib. para 2 art. 2. qu. 2. Thomas, S. Theol. III qu. 69 art. 6.

2) Conc. Trid. VII can. 6—8, de bapt. c. 13. 14. Verg. Bellarminus, de bapt. I 10-11.

3) Quenstedt, Theol. IV 147.

4) Verg. Witsius, de effieacia baptismi in infantibus, Misc. Sacra I[ 618. Voetius, Disp. II 409. M. Vitringa, Doctr. VII 72.

Sluiten