Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een huwelijk niet dxa&ccQTcc maar dyiu zijn. Dat stond dus vast, was algemeen aangenomen en kon daarom als argument dienst doen. Kinderen in een huisgezin, waarvan vader of moeder geloovig is, worden gerekend naar den geloovigen echtgenoot, zelfs al is deze de vrouw des huizes. De Christelijke belijdenis geeft in zulk een huis den toon aan; zij is de maatstaf, waarnaar heel het gezin beoordeeld moet worden; het geloof is het hoogere, dat over het lagere domineert. De heiligheid, van welke Paulus hier spreekt, is niet als eene subjectieve, inwendige, maar als eene objectieve, theocratische te denken, want anders waren de kinderen en de man niet door de geloovige moeder en vrouw, doch door zichzelven heilig. Ook denkt Paulus hier ganschelijk niet aan den kinderdoop, noch aan iets, dat als een grond daarvoor dienst moet doen. Maar het is er hem alleen om te doen, om aan te toonen, dat het Christelijk geloof de natuurlijke levensordeningen niet verbreekt maar bevestigt en heiligt, cf. vs. 18-24. Voor den kinderdoop is deze plaats echter in zoover van belang, als zij leert, dat heel een gezin naar de belijdenis van den geloovigen echtgenoot gerekend wordt; de geloovige heeft de roeping, om niet alleen voor zichzelf, maar met alwat het zijne is en met heel zijn gezin den Heere te dienen. Daarom worden de kinderen der geloovigen door de apostelen ook •als Christenkinderen in den Heere vermaand, Hd. 26 :22, Ef. 6:1 Col. 3 . 20, 1 Joh. 2 :13, 2 Tim. 3 :15; ook kleinen kennen den Heere, Hebr. 8:11, Openb. 11:18, 19 : 5, en worden gesteld voor den troon, Op. 20 : 5. Van eene neutrale opvoeding, die de kinderen op gevorderden leeftijd volkomen vrij en zelfstandig wil laten kiezen, weet de H. Schrift niets af *). De kinderen der geloovigen zijn geen Heidenen, zijn ook geen duivelskinderen, die nog, gelijk Roomschen en Lutherschen leeren, bij den doop moeten geëxorciseerd worden 2); maar het zijn kinderen des verbonds, wien de belofte even goed als den volwassenen toekomt, zij zijn in het verbond begrepen en zijn heilig non natura, Job 14:4, Ps. 51: 7, Joh. 3:6, Ef. 2:3 sed foederis privilegio 3). »

6° Dit alles klemt te meer, omdat de genade, vooral in de bedeeling des N. T. veel overvloediger is dan de zonde, Rom. 5 :12—21.

*) Conc. Trid., de bapt. c. 14.

*) Verg. Katcerau, art. Exorcismus bei der Taufe, PRE3 V 695—700.J.Dölger, Der Exorcismus im altchr. Taufritual. Paderborn 1909.

") Heid. Catech. vr. 74. Can. Dordr. I 17.

Sluiten