Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den doop en stonden daarom in geval van nood zijne bediening aan leeken toe. Maar ten slotte durven zij geen van alle de consequentie aan, dat iemand enkel en alleen daarom, dat hij geheel buiten zijne schuld ongedoopt stierf, verloren zou gaan; allen laten uitzonderingen toe, waarin een baptismus sanguinis of flaminis voldoet. Conversio cordis pote3t in§sse non percepto baptismo, sed contempto baptismo non potest1). De Conf. Aug. zegt in den Lat. tekst wel van den doop, quod sit necessarius ad salutem, maar leert in den Duitschen tekst alleen, dass sie nöthig sei2). De Luthersche theologen ontzeggen de zaligheid niet aan kinderen, die buiten de schuld der ouders ongedoopt gestorven zijn 3). En allen, die eene bijzondere genade door den doop laten meedeelen, erkennen, dat deze ook wel op andere wijze door God geschonken kan worden.

Daarom oordeelden de Gereformeerden ook anders. De doop was immers geen oorzaak maar teeken en zegel van de wedergeboorte, welke God schenkt vóór en zonder het sacrament; geen enkele weldaad werd door den doop verleend, die niet geschonken was door het woord en aangenomen door het geloof. Zoo kon dus de doop niet volstrekt noodzakelijk ter zaligheid zijn; niet de privatio baptismi op zichzelve, maar de contemptus baptismi maakt schuldig voor God. In Mk. 16 :16 wordt daarom bij het tweede lid de doop weggelaten en in Joh. 3 :5, welke plaats van de andere zijde algemeen van den doop wordt verstaan *), is volgens Calvijn enz. van doop geen sprake, al wordt er misschien ook aan den doop gedacht, want het water komt hier, evenals in Mt. 3:11 het vuur, als symbool van de werkzaamheid des H. Geestes voor en wordt in vs. 6 en 8 in het geheel niet meer genoemd. Daarom is er ook geen reden, om van het apostolisch gebruik af te wijken en de bediening des doops in gevallen van nood aan andere personen dan de leeraars der gemeente toe te staan B). In verband hiermede waren de Gereformeerden er ook op gesteld, dat de doop steeds bediend zou worden in het midden der gemeente. Hoewel in het N. T. de doops bediening plaats had overal, waar maar water was, Mt. 3:6,

') Lombar dus, Sent, IV 4, 4.

2) Conf. Aug. art. 9.

3) Quenstedt, Theol. IV 1G4.

4) Conc. Trid. VII de bapt. c. 2. Catech. Rom. II 2 qu. 31.

6) Calvijn, Inst. IV 15, 20. Bucanus, lnst. G13. Perkins, Werken I 461. Voetius. Pol. Eccl. I. 631. M. Vitringa VII 75, 163. De Moor, V 435.

Sluiten