Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tweede eeuw het catechumenaat op, dat allengs meer geregeld werd en volgens de synode van Elvira + 300, twee jaren duren moest. Aan het einde daarvan werden de catechumenen, liefst op een der groote feestdagen, op plechtige wijze gedoopt en in de gemeente ingelijfd. Door de gedachte geleid, dat de doop alleen de verleden» zonden vergaf, stelden velen zelfs den doop zoo lang mogelijk en tot op het sterfbed toe uit. Maar de meer en meer in gebruik komende kinderdoop en de leer van de volstrekte noodzakelijkheid van den doop dreven de kerk toch in eene andere richting. Het werd gewoonte, niet om den doop zoo lang mogelijk uit te stellen t maar om hem zoo spoedig mogelijk na de geboorte te bedienen. Eerst pleitten velen er nog voor, dat de doop bediend zou worden in het derde of dertigste levensjaar; maar anderen zagen hem het liefst bediend op den achtsten of op den veertigsten dag na de geboorte; de synode van Carthago 252 onder voorzitterschap van Cyprianus bepaalde reeds, dat de kinderen zoo spoedig mogelijk,, op den tweeden of derden dag na hunne geboorte, gedoopt moesten worden J), en dit werd spoedig algemeen gebruik en voor eeneapostolische gewoonte aangezien 2). De Grieksche kerk heeft geen bepaling over den tijd, maar stelt den doop toch gewoonlijk niet langer dan tot den achtsten dag uit en bedient hem in geval van nood ook reeds vroeger, zelfs terstond na de geboorte. D& Roomsche kerk dringt er op aan, dat het kind zoo spoedig mogelijk na de geboorte gedoopt worde 3). Met dezen algemeenen regel stemmen de Lutherschen 4), en ook de Gereformeerden in. De prov. synode van Dordrecht 1574 art 57 verklaarde zelfs, dat „de affectie der ouderen, die den doop haarder kinderen begeeren uit te stellen, ter tijd toe, dat de moeders zelve hare kinderen presenteren, ofte op de gevaders lange wagten, en is geen wettelyke oorzake om den doop uit te stellen.'" Maar geen andere synode nam deze uitspraak over. Ofschoon alle noodeloos uitstel afgekeurd en telkens op spoedige presentatie van het kind ten doop aangedrongen wordt,, is het toch volstrekt de bedoeling van de kerkordeningen niet, om, als zij alleen spreken van de vaders, de moeders uit te sluiten,

') Cyprianus, Ep. 59.

2) Suicerus, s. v. ^anria^iog en xhnxog. Schwane, D. G. I 378. II 755. MoeL ler-Schubert, Kirchengesch. I 338.

3) Conc. Trid. VII de bapt. c. 12. Catech. Rom. II 2 qu. 28.

4) Gerhard, Loei theol. XX 245.

Sluiten