Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar om het stelsel van getuigen tegen te gaan en dezen niet de plaats der vaders te laten innemen x).

Het stelsel van doopgetuigen, dvaóoxot, sponsores, fidejussores, susceptores, compatres, commatres, patrini, matrinae, patres et matres spirituales, kwam op, toen de kinderdoop algemeen gebruik werd, «n wordt reeds door Tertullianus vermeld 2). Er waren nu personen van noode, die in plaats van liet kind belijdenis deden en de gebruikelijke vragen beantwoordden; die als het ware als borgen, sponsores, voor het kind optraden, en beloofden, om het later op den grondslag van den doop Christelijk op te voeden. Zij waren de vertegenwoordigers der kerk, die immers zelve eigenlijk in haar geheel het kind ten doop houdt en het draagt met haar gebed. Nu lag het voor de hand, om de ouders als zulke sponsores bij den <loop van het kind te laten optreden. En in den eersten tijd geschiedde dit ook alzoo. Maar langzamerhand werden vaderschap «n peterschap naast elkander gesteld, evenals geboorte en wedergeboorte, natuurlijke en geestelijke verwantschap. Ouders waren vanzelf al verplicht tot Christelijke opvoeding van hun kind en schenen eene bijzondere gelofte daartoe niet meer op zich te kunnen nemen. Zij waren de natuurlijke ouders van het kind, doch het peterschap was eene gansch andere geestelijke verwantschap, en werd daarom allengs een impedimentum matrimonii tusschen de susceptores -eener-, en den doopeling en zijne ouders anderzijds en ook tusschen hen zeiven. Het concilie van Mainz 813 verbood dan ook reeds: nullus proprium filium vel filiam de fonte baptismatis suscipiat 3). Maar deze zelfde Catechismus moest reeds klagen, dat deze dienst in de kerk zoo verwaarloosd was, ut nudum tantum hujus functionis nomen relictum sit. Lutherschen en Gereformeerden achtten dit stelsel van doopgetuigen volstrekt niet noodzakelijk, dewijl het in de Schrift niet voorgeschreven of vermeld was, maar hielden het toch gewoonlijk voor een adiaphoron, dat soms wel van eenig nut kon zijn4). Laatstgenoemden legden er vooral nadruk op, dat in de eerste plaats de ouders de vragen bij den doop zouden beantwoorden

') Bucanus, Inst. 634. Bullinger, Huysboek 1612 bl. 249 v. Synopsis pur. theol. 44, 52. Voetius, Pol. eccl. I 724. De Moor V 512. M. Vitringa, VII 176.

2) Drews, PRE3 XIX 447 v.

3) Verg. Catech. Rom. II 2 qu. 20—24.

4) Gerhard, Loei theol. XX 267. Buddeus, Inst. theol. bl. 1071 Dordsche Kerkenorde art. 57. Walaeus, Synopsis pur. theol. 44, 54. Bucanus, Inst. theol. bl. ■640. Voetius, Pol. Eccl. I 704. De Moor, Comm. V 509. M. Vitringa, Doctr. VII159.

Sluiten