Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en als susceptores en sponsores voor hun kind zouden optreden, en eischten, dat als er getuigen werden genomen, deze van zuivere belijdenis en wandel zouden zijn 1). Daar komt nog bij, dat in de Roomsche kerk de peters en meters dienst moeten doen, om het kind in de leer des geloofs te onderwijzen, wijl de pastoors, zooals de Catech. Rom. zegt2), er geen tijd voor hebben. Maar de Gereformeerde kerk voerde op voorgang van Calvijn de catechese der gedoopte jeugd in en droeg deze aan den leeraar op. Zoo is in eene goed ingerichte Gereformeerde kerk het stelsel van getuigen t dat overigens in een nudum nomen ontaardde, behalve in enkele bijzondere gevallen overbodig en onnoodig geworden en practisch ook zoo goed als verdwenen 3).

Heel deze leer des doops, gelijk zij door de Gereformeerden ontwikkeld werd, stelt in het licht, hoe eng zij zich aansloten bij de H. Schrift. Des te meer verdient het de aandacht, dat zij desniettemin of liever juist daarom in hunne erkenning en bediening van den doop alle sectarisme wisten te vermijden en eene echt-Christelijke ruimte van hart en breedte van opvatting bewaarden. In overeenstemming met de katholieke kerk in haar strijd tegen de Afrikaansche kerken leerden ook de Gereformeerden eenparig, dat de ketterdoop, mits bediend in den naam van God drieëenig, erkend moest worden; maar wijl zij de doopsformule niet magisch opvatten en den doop niet losmaakten van kerk en ambtr voegden zij er de nadere beperking aan toe, dat hij bediend moest zijn door een in eene Christelijke gemeente erkenden dienaar4). En van den doop sloten zij wel uit alle zaken en voorwerpen, alle doodef omgekomene of nog slechts ten deele geboren personen, alle monstra, alle kinderen ook van Heidensche ouders, die gevangen genomen waren5), maar zij lieten tot den doop toe alle kinderen, die na

Calvijn, Op. ed. Amst. IX 142. Hooyer, Oude Kerkenoideningen bi. 7, 11, 17, 46, 69, 105, 153, 205, 265, 314, 344, 456.

*) Catech. Rom. II 2 qu. 20.

") Zie verder Suicerus, s. v. uvccdo%oi. Höfling, Das Sakr. der Taufe II 4—20. Dreivs, PRE3 XIX 447—450. J. Boehmer, Eine Reform das Patenaints, Neue Kirchl. Zeits. 1906. Olthuis, De Doopspraktijk der Geref. Kerken in Nederland bl. 191 y.

4) Voetius, Pol. Eccl. 1 631—645. Turretinus, Theol. El. XIX qu 15. De Moor, Comm. V 443—453. Syn. Dordr. 1574 vr. 1574 vr. 10. Middelburg 1578 vr. 29. Dordr. 1618 sessie 162. Over den Ketterdoop zie men verder Bonwetsch, art. in PRE3 X 270—275. G. van Goor, De strijd over den Ketterdoop. Utrecht 1872.

5) Syn. Dordr. 1618 sessie 18, 19.

Sluiten