Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die ermede gepaard ging, heet !*nby Ex. 12:26; en het vieren ervan wordt Num. 9: 7 een brengen van een ■jStp aan den Heere genoemd. Voorts moest de huisvader, nadat hij vier dagen vóór het feest, op den 10en Abib of Nisan, een eenjarig, mannelijk, volkomen lam had afgezonderd, dit op den 14en dier maand tusschen de twee avonden slachten en van het bloed met een bosje hyzop strijken aan de twee posten en den bovendorpel der huisdeur, Ex, 12: 3v. Dit bloed diende ter verzoening. Op zichzelf had Israël evengoed als de Egyptenaren den dood verdiend; maar het wordt toch niet als Egypte behandeld, doch door den Heere genadig uit den dood gered en uit het land der dienstbaarheid verlost. Daarvoor moest het bloed ten teeken zijn. Als de Heere dat bloed aan de huisdeur zag, was Hij verzoend, legde Hij zijn toorn af en ging sparend voorbij, (nes, over iets heenschrijden, voorbijgaan, Jes. 31 : 5, vandaar nsc, naaxcc), Ex. 12:13, 23, 27. Nog duidelijker blijkt het sacrificieel karakter van het pascha uit de wijze, waarop het later in Kanaan gevierd werd. Daar wordt het lam niet meer door den huisvader, maar door de Levieten geslacht, 2 Chr. 30:16, 35 : 11, Ezr. 6 :19; het bloed door de priesters op het altaar gesprengd, 2 Chron. 30 :16, 35 :11; de vetdeelen op het altaar verbrand, 2 Chron. 35:14; en de maaltijd bij het heiligdom gehouden, Deut. 16 :2. Doch al is het pascha dus in de eerste plaats een offerande, het gaat daarin niet op, het wordt straks een maaltijd. Nadat het lam tusschen de twee avonden op den 14en Abib geslacht en zijn bloed aan de huisdeur gestreken of in later tijd op het altaar gespreDgd was, moest het, zonder dat er een been aan gebroken werd, geheel, met hoofd, schenkels en ingewand aan het vuur gebraden en daarna in denzelfden nacht van den 14en Abib met ongezuurde brooden en bittere kruiden door allen, die in het huis waren, dus ook door de vrouwen, doch niet door onbesneden vreemdelingen, uitlanders of huurlingen, in haast, met omgorde lenden, geschoeide voeten en een staf in de hand, in huis of later bij het heiligdom gegeten en het overblijvende met vuur verbrand worden, Ex. 12 :1—28, 43—49, 13:3—9, 23:15, Lev. 23:5—14, Num. 9:10—14, 28: 16—25, Deut. 16 : lv. Het pascha nam daardoor in den Israelitischen cultus eene geheel bijzondere plaats in; het was eene offerande maar ging daarna terstond in een maaltijd over; tot de zondoffers behoorde het niet, want het werd gegeten, noch ook tot de dankoffers, want aan den maaltijd ging verzoening vooraf. Het is trouwens ook bij eene bijzondere gelegenheid, vóór alle andere offers,

Sluiten