Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden. Daarom staan er bij Paulus ook de woorden nog bij: zoo dikwijls als gij dit brood zult eten en dezen drinkbeker zult drinken, 1 Cor. 11: 25, 26. Het avondmaal is door Christus ingesteld als «en blijvend goed voor zijne gemeente; het is een weldaad, aan alle andere weldaden toegevoegd, om deze te beteekenen en te verzegelen. En blijven zal het tot de wederkomst van Christus. Zijn dood moet verkondigd worden, totdat Hij komt. Want het kiuis is en blijft in deze bedeeling de oorzaak aller zegeningen, het middelpunt van de gedachtenis der gemeente. Jezus zeide zelf, dat Hij van nu aan, van de instelling en het gebruik van het avondmaal af, niet meer drinken zou van de vrucht des wijnstoks, totdat Hij hem met zijne discipelen nieuw zou drinken in het koninkrijk zijns Vaders, Mt. 26:29, Mk. 14:25, cf. Luk. 22:16,18. Hij ging immers naar den hemel, om voor zijne discipelen plaats te bereiden. En eerst wanneer Hij wederkomt en zijne discipelen tot zich genomen zal hebben, zal Hij met hen aanzitten aan de bruiloftstafel des Lams en met hen drinken van den nieuwen wijn, dien het koninkrijk zijns Vaders in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde opleveren zal. Voor dien tusschentijd heeft Hij het avondmaal ingesteld, tot eene gedachtenis aan zijn lijden, tot eene verkondiging van zijn dood, tot een middel zijner rijke genade 1).

541. Dit avondmaal nam van den aanvang af in de Christelijke godsdienstoefeningen eene voorname plaats in. Het werd gewoonlijk in eene bijzondere samenkomst der gemeente op den dag des Heeren des avonds en in verbinding met een gewonen maaltijd gevierd. Van de wijze dezer viering is ons weinig bekend ; alleen weten wij uit de Didache 2), dat er eerst eene belijdenis van zonden, plaats had, daarna over den beker en het brood afzonderlijk een dankgebed werd uitgesproken, dan de maaltijd gehouden en het geheel met eene dankzegging besloten werd. Maar in de tweede eeuw kwam 6r allengs in heel de kerk scheiding tusschen de dyccrccci en de

*) Verg. de boven aangehaalde litteratuur en voorts nog Rogaar, Het avondmaal en zijne oorspronkelijke beteekenis, Gron. 1897. Schuitzen, Das Abendmahl im N. T., Göttingen 1895. Josephson, Das H. Ab. und das N. T. Gütersloh 1895. R. A. Hoffmann, Die Abendmahlsgeaanken Jesu Christi. Königsberg 1896. Holtzheuer, Das Ab. und die neuere Kritik. Berlin 1896. Schaefer, Das Herrenmahl nach Ursprung und Bedeutung mit Röcksicht auf die neuesten Forschungen, Gütersloh 1897 enz.

2) Didache 9, 10, 14.

Sluiten