Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eïyaQiGTict. De eerste gingen haar eigen weg en ontaardden al spoedig*); en de tweede werd in de morgengodsdienstoefening verlegd en met de bediening des woords in verbinding gebracht. Daarmede gingen verschillende veranderingen gepaard. De ééne godsdienstoefening werd spoedig in twee gedeelten gesplitst, waarvan het eerste, de bediening des woords, ook voor catechumenen, poenitenten en ongeloovigen openstond, het tweede, de viering van het avondmaal, alleen voor de gedoopten toegankelijk was. Dit laatste kreeg hoe langer hoe meer een mysterieus karakter; doop en avondmaal werden een fivarrjQiov, een sacramentum2), en door dezen naam alsmede door allerlei plechtigheden in een geheimzinnig donker gehuld. Geheel verkeerd is het daarom ook, om de opvattingen dier eerste tijden te interpreteeren naar de meeningen, die in het "Westen later, en vooral in de 16e eeuw gekoesterd werden over de unio sacramentalis. De Schrift zeide, dat het brood het lichaam en de wijn het bloed van Christus is, en dit spraakgebruik werd overgenomen en door ieder op zijne wijze verstaan en uitgelegd. Eene officieele interpretatie ontbrak; strijd ontstond er niet over; en de vraag naar den aard dier vereeniging van teeken en beteekende zaak kwam niet op; eene realitische conof transsubstantiatie lag even ver buiten het bewustzijn van dien tijd als eene uitsluitend symbolische of figuratieve beteekenis van het avondmaal. Symbool en zaak was voor het Oostersch denken veel inniger verbonden dan voor het Westersche; wij verstaan, zegt Harnack terecht, onder symbool eene zaak, die niet is, wat zij beduidt, maar toen verstond men veel meer onder symbool eene zaak, die op eene of andere wijze ook is, wat zij beduidt. Het stond van den aanvang af in de Christelijke kerk vast, dat brood en wijn het lichaam en bloed van Christus waren; maar de wijze, waarop zij zich beider vereeniging dachten, is niet klaar en daarom voor verschillende uitlegging vatbaar. Dat geldt van Ignatius, Justinus, Irenaeus en van vele andere schrijvers 3).

Doch de ontwikkeling der avondmaalsleer werd vooral in ver-

') Th. Zalm, art. Agapen in PRE3 I 234—237. J. F. Keating, The agape and the Eucharist 1901. E. Baumgartner, Eucharistie und Agape im Urchristentum. Solothurn 1909. Laatstgenoemde tracht aan te toonen, dat de agapae in den oudsten Christ. tijd hoegenaamd niet in verband stonden met de eucharistie, maar wordt in de St. aus Maria-Laach 1910 bl. 323 terecht weersproken.

2) Tertullianus, adv. Mare. 4, 34.

3) Verg. Loofs, art. Abendmahl II Kirchenlehre in PRE3 I 38—44.

Sluiten