Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leuning der behoeftigen uit elkander vielen, kreeg het avondmaal hoe langer hoe meer het karakter van eene offerande, die niet door de gemeente, maar door den bisschop werd gebracht, niet in hare aanbieding, maar in zijne dankzegging en wijding bestond, en niet op de gaven voor, maar op de elementen van het avondmaal betrekking had L). Deze opvatting van het avondmaal als eene offerande had nu weer invloed op de gedachte, welke men zich vormde van de unio sacramentalis, gelijk omgekeerd deze op gene. Naarmate de bischop als priester, de dankzegging als wijding, het avondmaal als een offer beschouwd werd, moest ook de realistische vereeniging van brood en wijn met het lichaam en bloed van Christus zich te sterker aanbevelen. De symbolische, spiritualistische opvatting van Origenes, die in het wezen der zaak ook bij Eusebius Caes., Basilius, Gregrorius Naz. e. a. gevonden wordt, maakte in verband met de Oostersche Christologie bij Cyrillus, Gregorius Nyss., Chrysostomus en Johannes Damascenus voor de realistische leer der /LisTa^oXtj, iitiarioirjaig of transformatie plaats, welke dan later weer in de leer der lisrovaicoaig of transsubstantiatie overging2).

De ontwikkeling ging in het Westen veel langzamer, al leidde zij later tot een zelfde resultaat. Cyprianus stelde wel het sacrificiëel karakter van het avondmaal sterk op den voorgrond, maar zag daarin toch slechts eene imitatie van wat Christus in waarheid op Golgotha gedaan had 3). En Hoewel Augustinus telkens in de taal der Schrift het brood het lichaam en den wijn het bloed van Christus noemt, toch is er bij hem nog niets te vinden van de latere transsubstantiatie-theorie. Integendeel, Augustinus maakt zoo sterk mogelijk onderscheid tusschen verbum en elementum, accedit verbum ad •elementum et fit sacramentum; brood en wijn worden daarom sacramenten genoemd, quia in eis aliud videtur, aliud intelligitur. Het teeken wordt wel dikwerf met den naam van de beteekende zaak genoemd, maar dat komt, wijl het er eene gelijkenis van vertoont. Si enim sacramenta quendam similitudinem earum rerum, quarum

') Justinus, Dial. 41. 70. Irenaeus, adv. haer. IV 18, 5.

2) Damascenus, de fide orthod. IV 14. Conf. orthod. qu. 107. Conf. Dosith. deer. 17, verg. Steitz, Die Abendmahlslehre der gr. K. in ihrer gesch. Entw. Jahrb. f. d. Theol. 1864 bl. 409—481. 1865 bl. 64—152. 399—463. 1866 bl. 193—252. 1867 bl. 211—286. 1868 bl. 2-67. 649—700. Kattenbnsch, Vergl. Konf. I 410 v. hoofs, art. Abendmahl in PRE3 I 44—57.

3) Cyprianus, Ep. 63, 2, 14.

Sluiten