Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat er in het avondmaal door den H. Geest eene geestelijke gemeenschap geoefend wordt met den persoon en dus ook met het lichaam en bloed van Christus en dat de geloovigen daardoor gespijsd en gelaafd worden ten eeuwigen leven, is in verschillende Geref. belijdenisschriften overgenomen *), en gemeengoed geworden van de Geref. theologie 2).

Toch kwam er al spoedig oppositie tegen deze Calvinistische leer van het avondmaal. De uitdrukking in de Conf. Gall. 36, dat Christus ons voedt en levend maakt de la substance de son corps et de son sang, wekte in de Zwitsersche kerken niet geringe bedenking. Zij wendden zich ten jare 1572 tot de nationale Synode in Frankrijk met verzoek om wijziging dezer woorden, maar vonden geen gehoor. Zoo bleef bij velen het bezwaar bestaan, en dit nam toe, toen Bossuet in zijne Exposition de la doctrine de 1'église cath. sur les matières de controverse 1671 er sterkte in zocht voor de Roomsche leer van het avondmaal 3). Langzamerhand won de Zwingliaansche opvatting weer veld, volgens welke het eten niets anders dan gelooven en de gemeenschap met Christus niets anders dan het aannemen zijner weldaden was 4). De verslapping der tucht werkte deze veruitwendiging van het avondmaal in de hand en deed in de sacramenten slechts teekenen zien van een uitwendig verbond, waarop alle onergerlijk levenden recht en aanspraak hadden 5). Zoo werd de weg gebaand voor het rationalisme, dat de gedachten van Socinianen, Remonstranten, Mennonieten enz. 6) herhaalde en.

inderdaad eerst meer onder den invloed van Zwingli en Butzer, maar naderde steeds meer Calvijn. Het ongunstig oordeel, door Kruske over hem uitgesproken, wordt daarom aanmerkelijk verzacht door Karl Hein, Die Sakramentslehre des Johannes a Lasco. Berlin 1904, evenals ook door H. Dalton in zijne Beitrage zur Gesch. d. ev. Kirche in Russland IV. Berlin 1905 (verg. Tschackert, Theol. Lit. Blatt 18 Mai 1905).

1) Conf. Tigur. Gall. 36. Belg. 35. Cat. Heid. 75—80. Scot. 21. I[ Helv. 21. Westrn. 29.

2) Beza, Tract. Theol. I 30, 206, 211, 259. II 121. III 148. Martyr, Loei Comm. 445. Zanchius, Op. VII 387. VIII 517. Juniws, Theses theol. disp. 52. Ursinus, Tract. theol. 359. Polanics, Synt. theol. VI 56. Bucanus, Instit. theol. 649 enz., cf. M. Vitringa VIII 1 bl. 266. Heppe, Dogm. 471.

3) M. Vitringa, Doctr. VIII 1 bl. 302 v.

4) Bijv. Ostervald, Verhandeling van den geopend, godsdienst. 1742 bl. 385.

6) Aldus Swarte, van Eerde, Janssonius e. a., verg. Ypey en Dermout, Gesch. v. d. Ned. Herv. Kerk III 512.

') Bij M. Vitringa, Doctr. VIII 2 bl. 1014 v.

Sluiten