Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hiTQsuc, XsizovQyici, (poixzov [ivGTijQior, tremendum mysterium, sacramentum corporis et sanguinis Domini, sacramentum altaris, missai ontleend aan de missio catechumenorum na affoop van liet didactisch deel der godsdienstoefening enz. Hoewel Luther nog van sacramentum altaris bleef spreken 1), gaven de Protestanten over het algemeen aan den naam sacra coena of coena Domini de voorkeur en hielden ook daarin vast, dat het avondmaal een wezenlijke maaltijd was. Sommige Roomsche theologen, zooals Maldonatus op Mt. 26 : 25, merkten daartegen wel op, dat de uitdrukking chiirvov xvqiaxov in 1 Cor. 11:20 niet op het avondmaal sloeg, maar op den maaltijd, die na het avondmaal gehouden en door de rijkere gemeenteleden aan de armere aangeboden werd 2), doch het avondmaal werd niet vóór maar na den gewonen maaltijd gehouden, vs. 21, en is onder de uitdrukking zoo niet alleen dan toch mede begrepen. Al ware dit echter niet het geval, dan zou daarmede de onjuistheid der benaming nog geenszins bewezen zijn. Want het avondmaal is toch naar luid van de Schrift een wezenlijke maaltijd. De verbinding met de agapae, de instelling bij gelegenheid van het paaschmaal, de bestanddeelen van brood en wijn, het eten en drinken daarvan — alles wijst erop, dat wij in het avondmaal met een wezenlijken maaltijd te doen hebben, en er dit karakter niet aan mogen ontnemen. Maar het is een öemvov xvgiaxov, een maaltijd des Heeren. Jezus is er de insteller van, en volbracht ook daarin den wil des Vaders, welken te doen zijne spijze was. Het avondmaal is evenals de doop van Goddelijken oorsprong en moet dat zijn, om een sacrament te kunnen wezen; want God alleen is uitdeeler der genade en Hij alleen kan hare uitdeeling aan door Hem verordende middelen binden. En Jezus stelt dit avondmaal bepaald als middelaar in: Hij treedt erin op als profeet, die zijn dood verkondigt en verklaart; Hij handelt erin als priester, die zichzelven voor de zijnen overgegeven heeft aan het kruis; Hij komt erin voor als koning, die vrij over de verworvene genade beschikt en haar onder de teekenen van brood en wijn aan zijne discipelen te genieten geeft. En gelijk de insteller, zoo is Hij ook de gastheer en de bedienaar van het avondmaal; Hij neemt zelf het brood en den wijn, zegent ze en deelt ze aan zijne jongeren uit. En gastheer en bedienaar

') Art. Smalc. III 6. Oatech. major 5.

2) Bij Vitringa, Doctr. VIII 10. Verg. hierbij ook het gevoelen van Jülicher, Spitta, Haupt, Drewe, PRE3 V 562 v.

Sluiten