Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was Hij niet alleen, toen Hij lichamelijk met zijne discipelen aanzat, maar is en blijft Hij overal en altijd, waar zijn maaltijd gevierd wordt. Elk avondmaal, overeenkomstig zijne instelling bediend, is een ösinvov xvqiaxov. Want Christus is insteller niet alleen door voorbeeld, maar ook door voorschrift. Het is een maaltijd tot zijne gedachtenis, 1 Cor. 11: 24, tot verkondiging van zijn dood, vs. 26, tot gemeenschap aan het lichaam en bloed van Christus, 1 Cor. 10:16, 21, 11:27. In het avondmaal komt Christus met de gemeente en de gemeente met Christus samen, getuigenis afleggend van hunne geestelijke gemeenschap, cf. Op. 3 :20.

De dienaar, die brood en wijn zegent en uitdeelt, doet dit daarom in den naam van Christus en is slechts een instrument in zijne hand. Omdat Paulus in 1 Cor. 10:16 in den pluralis spreekt van hen, die den drinkbeker zegenen, en Tertullianus zegt, ubi ecclesiastici ordinis non est consessus, et offert et tingit sacerdos, qui est ibi solus; sed et ubi tres, ecclesia est, licet laici '), beweerden sommigen, zooals G-rotius, Salmasius, Episcopius e. a., dat, indien een priester of leeraar ontbrak, het avondmaal ook door een gewoon lid der gemeente bediend mocht worden. Maar deze meening mist genoegzamen grond. In Mt. 28:19 wordt de bediening des doops tegelijk met die des woords aan de apostelen opgedragen; zij met de leeraars zijn uitdeelers der verborgenheden Gods, verkondigers van de mysteriën, die God in het Evangelie van Christus heeft geopenbaard, 1 Cor. 4:1; huisverzorgers Gods, die zijne genade hebben uit te deelen, 1 Cor. 9:17, Tit. 1: 7. Ongetwijfeld is bij deze verborgenheden allereerst aan het woord des Evangelies te denken. Maar het sacrament volgt het woord en is altijd met het woord verbonden. De apostelen in Jeruzalem oefenden aldaar den dienst der gebeden en des woords, Hd. 6:4; bij de breking des broods, Hd. 20:7, 11 voert Paulus het woord; het uitspreken van dankzegging bij het avondmaal was een deel van de bediening des woords en alzoo aan den leeraar opgedragen, al wordt het evenals het breken des broods in 1 Cor. 10:16 als eene handeling der gemeente voorgesteld 2). Volgens de Didache komt het tvxaoiaitiv dan ook aan de profeten toe, volgens Ignatius aan den bisschop, volgens Justinus aan den ttqosgtcos, terwijl de diakenen daarbij hun dienst verleenden en brood en wijn aan de communicanten over-

Tertullianus, Exliort. ad cast. 7 2) Sohm, Kirchenrecht bl. 69.

Sluiten