Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

avondmaal voor de geloovigen op drie, of op eene enkele maal des jaars als minimum vastgesteld x). Hoewel nu enkele Gereformeerden van oordeel waren, dat het avondmaal in zeer bijzondere gevallen ook wel aan kranken in hunne woning, maar dan toch in bijzijn van anderen, mocht bediend worden 2), hielden zij toch algemeen de gedachte vast, dat het als een deel van den cultus publicus in de vergadering der gemeente thuis behoorde en niet privaat gevierd mocht worden. En al is de practijk sterker gebleken dan de leer en de viering van het avondmaal gewoonlijk tot zes of vier malen in het jaar beperkt 3), toch was het oorspronkelijk de wensch van Calvijn, om het minstens eemaal per maand te vieren 4). Indien de doop als inlijving in de Christelijke kerk reeds in de openbare vergadering der geloovigen behoort plaats te hebben, dan geldt dit nog veel meer van het avondmaal, dat wezenlijk een öemvov, ffvva^ig, convivium is, en niet alleen eene gemeenschap met Christus, maar ook eene gemeenschap der geloovigen insluitDaarom concentreert zich de bepaling van het karakter van het avondmaal ten slotte geheel om de vraag, of het op een tafel dan wel op een altaar bediend moet worden. Jezus en zijne discipelen zaten aan eene tafel aan, toen zij het avondmaal gebruikten en ook de eerste Christenen wisten van een altaar niets. Maar langzamerhand ging het onderscheid tusschen de Oud- en de Nieuwtest. bedeeling teloor; de vergaderplaats werd veranderd in een tempel, de dienaar in een priester, het avondmaal in eene offerande,, en de tafel in een altaar. In de Roomsche en Grieksche kerk wordt geheel de cultus door deze beschouwing beheerscht; de Anglikaansche kerk nam ze grootendeels over en neigt er thans hoe langer hoe meer heen; de Luthersche kerk behield het altaar en beschouwde het als een adiaphoron. Maar de Gereformeerden herstelden het schriftuurlijk denkbeeld van den maaltijd des Heeren ook in de tafel des avondmaals. Immers bestaat het onderscheid tuschen den cultus des O. en des N. Testaments daarin, dat tempel en altaar, priester en offerande niet meer op aarde doch in de hemelen zijn.

') Conc. Trid. XIII can. 9.

2) Calvijn bij Henry, Leben Calvins II 210. Voetius, Pol. Eccl. I 764.

3) Syn. Dord. 1578 art. 73. Midd. 1581 art. 45. 's Grav. 1586 art. 56. Dordr 1618 art. 53.

4, Kampschulte, Joh. Calvin I 460. A. Lasco bij //. Dalton, Joh. a Lasco bl. 383. Voetius, Pol. Eccl. I 758-767. 801, 802. De Moor, Comm. Y 660 v. 671 v. M. Vitringa, Doctr. VIII 1 bl. 406—414.

Sluiten