Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Jeruzalem dat boven is, is ons aller moeder, Gal. 4:26; daar is Christus, de eeuwige Hoogepriester, voor ons ingegaan, Hebr. ■6:20, nadat Hij door ééne offerande eene eeuwige verlossing had ■teweeggebracht, 9:12, om te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons, 9:24; en daar hebben de Christenen hun heiligdom, in hetwelk zij met vrijmoedigheid ingaan in het bloed van Jezus, 4:16, 10:19, 12:22. Hier op aarde hebben wij slechts •eene onderlinge bijeenkomst, waarin voor geene offerande plaats is, 10:25. Het eenig altaar der Christenen is het kruis, op hetwelk Christus zijne offerande heeft gebracht, 13:10, cf. 7 : 27, 10:10. Van dat altaar, dat is, van de daarop gebrachte offerande eten zij, -als ze door het geloof gemeenschap hebben aan Christus en zijne weldaden. De geloovigen hebben geene andere offerande te brengen, dan offeranden des lofs, dat is vrucht van lippen, die zijnen naam prijzen, 18:15. Het avondmaal is een offermaal, een maaltijd van -de geloovigen met Christus op grond van zijne offerande, en daarom niet op een altaar doch op een tafel te bedienen. Certissimum •est, everti Christi crucem, simulac erigitur altare 1).

544. Ofschoon het avondmaal dus een wezenlijke maaltijd is, heeft het als zoodanig toch eene eigene, geestelijke beteekenis en bestemming. Christus heeft het niet ingesteld, opdat het lichamelijk, maar •opdat het geestelijk ons voeden zou. Voordat Hij brood en wijn uitdeelde, zegende Hij beide en zeide, dat het brood zijn lichaam, en de wijn zijn bloed was; als zoodanig, als zijn verbroken lichaam en vergoten bloed, moeten brood en wijn door zijne jongeren genomen en genoten worden. De materia sacramenti, de beteekende zaak in het avondmaal is dus het lichaam en bloed van Christus, gelijk het in zijn offerdood voor de gemeente gebroken en vergoten is tot vergeving der zonden, dat is de gekruiste en gestorven

Calvijn, Inst. IV 18, 3. Voetius, Pol. Eccl. I 792. De Moor, Comm. V 659. M. Vitringa, Doctr. VIII 1 bi. 414. Nik. Muller, art. Altar in PRE3 I 391—404. Br. Fr. Wieland, Mensa und Confessio. Studiën über den Altar der altchrist. Liturgie I Der Altar der vorkonstantin. Kirche. Miinchen Lentner 1906, kwam door zijn onderzoek tot de conclusie, dat er eerst een tafel was, en dat het altaar in de Christ. kerk eerst ingevoerd werd onder invloed van de later met het avondmaal verbondene offeridee. Toen hij hierover aangevallen werd, verdedigde hij zich in: Die Schrift Mensa und Confessio und P. Emil Dorsch S. J. in Innsbrück. Eine Antwort. München 1908, en nog weer nader in: Der vorirenaische Opferbegriff. München 1909.

Sluiten