Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

manducatio oralis is op geenerlei wijze aan te toonen 1). Onderstel al, dat wij met den lichamelijken mond Jezus' eigen lichaam eten, wat bate hebben wij daarvan? Het komt toch in het avondmaal daarop aan, dat onze ziel, dat ons geestelijk leven gevoed en versterkt wordt. En dit kan uit den aard der zaak niet geschieden door het eten van Christus1 lichaam met den lichamelijken mond; want wat wij daarmede eten, gaat deels in bestanddeelen van ons lichaam over en wordt deels uitgeworpen. Nieuwere theologen zijn daarom op de gedachte gekomen, dat de manducatio oralis van Christus' lichaam de kiem van een nieuw, van een opstandingslichaam in ons plantte. Maar deze voorstelling druischt geheel tegen de Schrift in en is vrucht van eene valsche theosophie. Toch, als deze vrucht niet aan het eten van Christus' lichaam verbonden is, is er geen andere aan te wijzen. De manducatio oralis is onnut en ijdel en in den grond, hoezeer men het bestrijde, kapernaïtisch. De Kapernaïeten konden zich geen ander eten van Jezus' vleesch voorstellen dan met den lichamelijken mond, Joh. 6:41, 52. En al nemen Roomschen en Lutherschen wel terdege een geestelijk eten van Jezus' lichaam aan, zij verbinden dit toch met, zij maken het toch afhankelijk van het lichamelijk eten, zonder de wijze van die verbinding of den aard dier afhankelijkheid ook maar eenigszins duidelijk te maken. Jezus bedoelde echter in de gansche rede, die Hij tegen de Kapernaïeten houdt, niet anders dan een geestelijk eten, een eten door het geloof en maakt van een lichamelijk eten met geen woord gewag.

545. Al de hiermede genoemde bezwaren gelden tegen Roomsche en Luthersche leer beide; tegen de eerste komen er dan nog de volgende bij. 7° De transsubstantiatie wordt door het getuigenis onzer zintuigen, door gezicht en tastzin, door reuk en smaak beslist weersproken. En onze zintuigen hebben hierbij recht van meespreken, omdat brood en wijn onder hun bereik vallen en door hen kunnen en mogen beoordeeld worden. Zij zijn ook, indien zij nauwkeurig waarnemen, hier evengoed als elders te vertrouwen, omdat anders het sceptisch nominalisme voor de deur staat en alle zekerheid des geloofs en der wetenschap verdwijnt. Ook Rome moet dan ook voor hunne getuigenis wijken, maar heeft erop gevonden, dat de substantia verandert en de accidentia dezelfde blijven. Hoe dit te

2) Verg. Köstlin, Luthers Theol. II 51(5.

Sluiten