Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•worden l) aan allen, die in gemeenschap der kerk leven, hetzij op aarde hetzij in het vagevuur, hetzij zij bij de mis tegenwoordig of afwezig zijn, hetzij zij haar begeeren voor zichzelven of voor anderen, voor geestelijke of lichamelijke nooddruft, tot vergeving van zonden ■en tot voorkoming of afwending van krankheid en ongeval, droogte en overstrooming, oorlog en veepest enz. Dat heeft Rome van het avondmaal van onzen Heere Jezus Christus gemaakt! Aan gronden, die toch bij zulk een gewichtig leerstuk als de mis in overvloed aanwezig en onwankelbaar hecht zonden moeten zijn, ontbreekt het geheel en al. In Gen. 14: 18, waar Melchizedek aan Abraham brood en wijn ter verkwikking aanbiedt, is met geen woord van oöerande sprake, al volgt er ook terstond op, niet: want, maar: en hij (Melchizedek) was een priester des allerhoogsten Gods. Mal. 1 .11 handelt misschien niet eens van de toekomst; maar ook indien dit het geval is, beschrijft déze plaats in Oudtest. vormen, dat des Heeren naam groot zal zijn onder de Heidenen en dat Hem reukwerk en een rein offer (nn;-: offergave in het algemeen) gebracht zal worden; en deze vormen zijn in het N. T. juist door het gebed en door de geestelijke offerande vervangen, Rom. 12:1. Bij de instelling van het avondmaal zeide Jezus wel: tovto noisixs sig ttjv ■s^irjv avafivrjdiv, Luk. 22 :19, maar dat Jezus daarbij het avondmaal als een ofier instelde en de discipelen tot priesters verhief, is in deze woorden in het minst niet begrepen en wordt zeker daarmede niet bewezen, dat het Hebr. ~wy en het Lat. facere wel eens in de beteekenis van offeren gebruikt wordt. In 1 Cor. 10:21 stelt Paulus de tafel des Heeren tegenover de tafel der duivelen; maar omdat de tafel der duivelen een altaar was, volgt daaruit nog in geenen deele, dat ook de tafel des Heeren een altaar is, waarop geofferd moet worden. Dit zijn de voornaamste en sterkste bewijzen, welke de Roomschen uit de Schrift voor hunne leer van de mis kunnen bijbrengen. En weinig sterker is hun beroep op de kerkvaders, want zij vergeten daarbij, dat dezen, op het avondmaal de offeridee toepassende, daaraan een gansch anderen zin hechtten dan Rome er later mede verbond.

Tegenover al deze schijnargumenten staat een reeks van bewijzen, die het onschriftuurlijk karakter van de mis in het helderste licht stellen. Aan de instelling en de in de apostolische kerk gebruikelyke viering van het avondmaal is alwat op de mis gelijkt ten eenenmale

>) Conc. Trid. XXII c. 1.

Sluiten