Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

128 a. Id., Luthers Theol. II 564 v. Calvijn, de psychopannychia, C. R. XXXIII 177—232. Gerhard, Loc. XXVI tract. 1 de morte. Quenstedt, Theol. IV 534—576. Walch, de statu mortuorum atque resurgentium. Misc. Sacra II 272 v. Junius, Theses Theol. c. 55, 56. Voetius, de statu animae post mortem. Disp. V. 533—538. Burtiet, de statu mortuorum et resurgentium. Londini 172'!. Isaac Watts, Die toekomende wereld of redevoeringen over de vreugden en smerten der afgescheide zielen na de dood. Amyraldus, Verhandeling van den staat der geloovigen na de doodt. Utrecht 1680. M. Vitringa, Doctr. IV 55—109. Splittgerber, Tod, Fortleben und Auferstehung.3 Halle 1879. Rinck, Vom Zustande nach dem Tode 1885. H. Cremer, Ueber den Zustand nach dem Tode. Gütersloh 1883. P. Paulsen, Das Leben nach dem Tode 1901. A. Stem, Das Jenseits. Der Zustand der Verstorbenen bis zur Auferstehung nach der Lehre der Bibel und der Ergebnissen der Erfahrung'2, Gotha 1907. Salmond, The Christian doctrine of immortality, new ed. 1901. E. E. Holmes, Immortality. London 1908. J. Paterson Smyth, The Gospel of the hereafter3. London 1910.

548. Gelijk oorsprong en wezen, zoo is ook het einde der diDgen ons onbekend. Op de vraag: waarheen, geeft de wetenschap evenmin een bevredigend antwoord als op die, vanwaar alle dingen zijn. En toch heeft de religie dringend behoefte, om iets te weten van de bestemming van den enkelen mensch, van menschheid en wereld. Alle volken hebben daarover dan ook eene of andere gedachte en alle godsdiensten bevatten eene soort van eschatologie. "Wel zijn er nog, die beweren, dat het geloof aan de onsterfelijkheid der ziel oorspronkelijk volstrekt niet aan alle menschen eigen is en nog heden ten dage, bijv. bij de Weddas op Ceylon, bij de Indische Seelongs e. a. ontbreekt 1). Op het standpunt der evolutie kan ook het geloof aan Q-od, aan het zelfstandig bestaan der ziel en aan hare onsterfelijkheid geen oorspronkelijk bestanddeel der menschelijke natuur hebben uitgemaakt, maar moet het langzamerhand en toevallig door allerlei omstandigheden ontstaan en ontwikkeld zijn. Voorvadervereering, liefde tot afgestorven bloedverwanten, levenslust en de wensch tot levensverlenging, hoop op betere levensverhoudingen aan de andere zijde des grafs, vrees voor straf en hoop op belooning enz. zijn dan de oorzaken geweest, die het onsterfelijkheidsgeloof allengs hebben doen opkomen. Maar daartegenover getuigen de meeste en de beste beoefenaars van de geschiedenis der godsdiensten, dat het geloof aan de onsterfelijkheid bij alle volken voorkomt en een bestanddeel is ook van de laagste en ruwste godsdiensten. Wij treffen het overal en op iederen trap

]) Büchner, Kraft und Stoff 1 bl. 423. Haeckel, Die Weltrathsel. Bonn 1899 bl. 223.

Sluiten