Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het woord van Strausz omgezet in deze andere: wenn ich nur mein Ich in Sicherkeit habe, so frage ich nichts nach Gott und Welt. Aan die zekerheid werd echter door Kant een einde gemaakt, doordat hij de ongenoegzaamheid aantoonde van alle bewijzen, voor de onsterfelijkheid der ziel aangevoerd, en deze alleen aannemelijk achtte als postulaat der practische rede. Schleiermacher stelde tegenover de egoïstische wenschen van rationalisme zijn woord: wer nicht gelernt hat, mehr zu sein als er selbst, der verliert wenig, wenn er sich selbst verliert, en kende geen andere en hoogere onsterfelijkheid, dan om mitten in der Endlichkeit eins zu werden mit dem Unendlichen und ewig zu sein in jedem Augenblick 1). En de idealistische philosophie van Fichte, Schelling, Hegel, liet voor de onsterfelijkheid der ziel in 't geheel geene plaats over, al aarzelde zij, om op dit punt haar intieme gedachte open uit te spreken. Het boek van Fr. Richter, Die Lehre von den letzten Dingen 1833, bracht echter de consequentie van Hegels stelsel aan het licht en baande, in weerwil van veler tegenspraak, den weg tot het materialisme, dat reeds luide door Feuerbach gepredikt en later door Vogt, Moleschott, Biichner, Haeckel e. a. met zoogenaamd natuurwetenschappelijke argumenten gesteund werd. Op velen hebben deze redeneeringen zooveel indruk gemaakt, dat zij de ontsterfelijkheid der ziel geheel prijs geven 2), hoogstens hare mogelijkheid betoogen en slechts vau eene hope der ontsterfelijkheid spreken 3). Ook theologen hechten dikwerf aan de bewijzen voor de onsterfelijkheid der ziel slechts geringe of in het geheel geen waarde 4). Maar tegenover hen staan altijd nog vele mannen van naam, die alle of sommige of althans een enkel van de bewijzen sterk genoeg achten, om daarop een vast geloof aan de onsterfelijkheid der ziel te bouwen 6).

549. De bewijzen voor de onsterfelijkheid der ziel, aan historie

*) Schleiermacher, Reden iiber die Religion II, cf. Chr. Gl. § 158, 1.

2) Strausz, Chr. Gl. II 738. Id., Der alte und der neue Gl2123 v. Schopenhatter, Die Welt I 330. Von Hartmann, Religionsphil. II 232.

3) Hoekstra, De hoop der onsterfelijkheid 1867. Rauwenhoff, Wijsbeg. v. d. godsd. bl. 811.

") Vilrnar, Dogm. II 295. Frank, Chr. Wahrheit II 437 v.

6) Weisse, Philos. Dogm. § 955—972. J. H. Fichte, Die Idee der Persönl. u. d. indiv. Fortdauer 1834. Göschel, Von den Beweisen fiir die Unsterbl. der menschl. Seele 1835. Kahnis, Dogm. II 485 v. Dorner, Gl. II 916 v. Doedes, De Leer v. God bl. 248 v. van Oosterzee, Dogm. § 68 enz.

Sluiten