Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoog boven en aan de einden der aarde gelegen is en terstond bij hun sterven de verblijfplaats werd van Henoch en Elia, 12 : 1 87 :3, 89: 52 en het ook worden zal voor allen, die in hunne wegen wandelen, 71:16, 17. Maar het zwaartepunt ligt toch bij al de schrijvers dezer groep in de universeele eschatologie, in de komst van den Messias en de oprichting van het Godsrijk aan het einde der dagen. Tot zoolang worden de zielen der afgestorvenen in den hades, zij ook in verschillende afdeelingen en in voorloopig onderscheiden lot, bewaard als in , promptuaria animarum,

Apoc. Baruch 21: 23, 4 Ezr. 4 : 35, 5 : 37; rustende en slapende wachten zij het laatste oordeel af, 4 Ezr. 7 : 32—35, Apoc. Baruch 21:24, 23:4, 30:2. Maar de geschriften van de tweede groep, zooals de Spreuken van Jezus Sirach, het boek der Wijsheid, Philo, Elavius Josephus enz., leggen juist op de individueele eschatologie nadruk en laten daarbij de komst van den Messias, de opstanding, het eindgericht en het Godsrijk op aarde geheel in de schaduw treden of spreken er zelfs met geen woord van. Hoofddogma is de onsterfelijkheid der ziel, die volgens Philo praeëxistent was, van wege haar val tijdelijk in den kerker van het lichaam werd opgesloten en al naarmate van haar gedrag na den dood in andere lichamen verhuist, of in elk geval terstond na het sterven de definitieve beslissing van haar lot ontvangt, Sir. 1: 12, 7 :17, 18 : 24, 41:12, Wijsh. 1:8, 9, 3 : 1—10, en naar den heiligen hemel of naar den donkeren hades gaat1). Ten tijde van Christus kruisten daarom bij het volk van Israël allerlei eschatologische denkbeelden dooreen. De Farizeën geloofden aan een voortbestaan en eene voorloopige vergelding na den dood, maar hielden daarbij vast de verwachting van den Messias, van de opstanding der dooden, zoo niet van alle menschen dan toch van de rechtvaardigen, en de oprichting van het Godsrijk op aarde. De Sadduceën loochenden de opstanding, Mt. 22 : 23, Mk. 12 :18, Luk. 20 : 27, Hd. 23 : 8, en volgens Josephus 2), ook de vergelding na den dood en de onsterfelijkheid. De Esseners namen aan, dat het lichaam sterfelijk, maar de ziel onsterfelijk was. De zielen woonden oorspronkelijk in den fijnsten aether, maar werden door zinlijken lust bevangen en in lichamen geplaatst, waaruit zij dan weer door den dood worden bevrijd. De goede zielen ontvangen een zalig leven aan gene zijde van den

') Josephus, Bell. Jud. III 8, 5.

2) Josephus, Bell. Jnd. II 8, 14. Antiq. XVIII 1, 4.

Sluiten