Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moordenaar beloofd had, dat hij heden met Hem in het paradijs zou zijn, beval Hij zijn geest in de handen zijns Vaders, Luk. 13: 46; in 2 Cor. 12 : 2, 4 wisselt het paradijs met den derden hemel af: in Op. 2:7, 12:2 duidt het de plaats aan, waar in de toekomst God onder zijn volk wonen zal. Daarmede in overeenstemming leert het Evangelie van Johannes, dat de geloovigen, die hier op aarde reeds het beginsel des eeuwigen levens hebben en aan het gericht Gods zijn ontkomen, 3:15 21, 5:24, eene gemeenschap met Christus deelachtig zijn, die noch door zijn heengaan, 12:32, 14:23, noch door den dood, 11:25, 26 wordt verbroken, en eens in een eeuwig bijeenzijn voltooid wordt, 6 : 39, 14 : 3, 19, 16:16, 17:24. Stervende bidt Stephanus, dat de Heere Jezus zijnen geest bij zich in den hemel opneme, Hd. t : 59. Paulus weet dat de geloovige een leven deelachtig is, hetwelk boven den dood verheven is, Rom. 8: 10, en dat niets, ook geen dood, hem scheiden kan van de liefde Gods in Christus, 8: 38, 14:8, 1 Thess. 5:10; ofschoon hij nog een tijd lang in het vleesch moet blijven om der gemeenten wil, verlangt hij toch ontbonden te worden en met Christus te zijn, Phil. 1: 23, 2 Cor. 5 :8. Volgens Op. 6 : 8, 7 :9, bevinden zich de zielen der martelaren bij Christus onder het voor den troon Gods in den tempel des hemels staande brandofferaltaar, cf. 2 : 7, 10, 17, 26, 3 : 4, 5, 12, 31, 8 : 3, 9 :13, 14: 13, 15 : 2, 16:17, en ook Hebr, 11:10, 16, 12 : 23. En evenals de geloovigen reeds terstond na den dood bij Christus in den hemel eene voorloopige zaligheid genieten, zoo komen de ongeloovigen, zoodra zij gestorven zijD, in eene plaats der pijniging. De rijke man was in de pijn, toen hij in den hades zijne oogen ophief, Luk. 26:23. De ongeloovigen, <lie Christus verwerpen, blijven onder den toorn Gods en zijn reeds op aarde geoordeeld, Joh. 3: 18, 36, en hebben terstond na den dood met alle menschen een oordeel te wachten, Hebr. 9: 27. Maar toch is deze plaats der pijniging nog niet met de ysevva of de fofivrj tov TivQog identisch, want de gehenna is de plaats van het onuitblusschelijke en eeuwige vuur, dat den duivelen bereid is, Mk. 9 : 43, 47, 48, Mt. 18:8, 25 :4, 46, en de poel des vuurs is nog niet de tegenwoordige, maar wel de toekomstige strafplaats van het wereldrijk en den valschen profeet, Op. 19:20, van Satan, Op. 20: 10 en van alle goddeloozen, Op. 21:8, cf. 2 Petr. 2 :17, Jud. 13. Veeleer worden zij allen nu in eene <fvi.axrj, 1 Petr. 3: 19, of in â– den afivoaoc, Luk. 8:31, cf. Mt. 8:29, Rom. 10:7, Op. 9:1, 2, 11, 11: 7, 17 :8, 20: 1, 3 voor het laatste oordeel en den poel des

Sluiten