Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vuurs bewaard, 2 Petr. 2 : 17, Jud. 6, 13. Dit onderscheid ia den tusschentoestand der goeden en der boozen strijdt niet daarmede, dat zij allen te zamen zich in den hades bevinden, want alle gestorvenen zijn als zoodanig xaraxO-ovioi, behooren vóór de opstanding nog tot het rijk der dooden, en worden eerst door die opstanding volkomen, naar ziel en lichaam beide, van de heerschappij des doods bevrijd, 1 Cor. 15 : 52—55, Op. 20:14.

552. In den eersten tijd bepaalde de Christelijke theologie zich tot deze eenvoudige gegevens der H. Schrift. De apostolische vaders hebben nog geene leer over den tusschentoestand en zijn in het algemeen van oordeel, dat de vromen bij het sterven terstond de hemelsche zaligheid en de goddeloozen de helsche straf deelachtig worden. Burnet en anderen na hem, zooals Blondel, Ernesti, Baumgarten-Crusius enz. trachtten wel aan te toonen, dat de oudste Christelijke schrijvers de eigenlijke zaligheid der geloovigen eerst na het wereldgericht een aanvang lieten nemen, maar zij konden daarvoor geen afdoende bewijzen bijbrengen x). Eerst toen de parousie van Christus niet zoo spoedig kwam, als aanvankelijk algemeen verwacht werd, en verschillende ketters de leer der laatste dingen misvormden of bestreden, begon men over den tusschentoestand meer opzettelijk na te denken. Het Ebionitisme trachtte de nationale voorrechten van Israël tot nadeel van het Christelijk universalisme vast te houden en was daarom over het algemeen chiliastisch gezind ; het Gnosticisme verwierp krachtens zijn dualistisch beginsel heel de Christelijke eschatologie en had geene andere verwachting dan de bevrijding des geestes van de materie, en zijne terstond bij den dood plaats hebbende opname in het Goddelijk pleroma. De Christelijke theologie werd daardoor genoodzaakt, zich helderder rekenschap te geven van het karakter van den tusschentoestand en van zijn verband, zoowel met dit leven als met den eindtoestand na het laatste oordeel. Justinus zeide reeds, dat de zielen der vromen na den dood in eene betere en die der onrechtvaardigen in eene slechtere plaats vertoefden, om den tijd van het gericht af te wachten, en veroordeelde het als eene onchristelijke leer, dat er geene opstanding der dooden is en dat de zielen terstond bij den' dood in den hemel worden opgenomen. Volgens Irenaeus komen de zielen der vromen bij den dood niet terstond in hemel, paradijs

*) Verg. Atzberger, Geych. d. Christl. Eschat. usw. bl. 75—99'

Sluiten