Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dood vollen vrede zullen genieten, dat haar dan echter nog tot den opstandingsdag toe iets blijft ontbreken, n.1. summa et perfecta Dei gloria, ad quam semper aspirant, en dat onze zaligheid dus altijd in cursu bleef usque ad diem illum, qui omnem cursum claudit et terminabit1). Anderen gingen nog verder en namen een bepaalden tusschentoestand aan. Lud. Cappellus zeide, dat de zielen der vromen na den dood in een toestand kwamen, die wel zalig heeten kon in vergelijking met dien hier op aarde, maar die longe diversus was van die zaligheid, welke na de opstanding een aanvang nam; immers bestond de tusschentoestand bijna geheel in spe atque exspectatione futurae gloriae, non vero in ipsa gloriae fruitione. En «venzoo kwamen de zielen der goddeloozen na den dood in een toestand, waarin zij de vastbepaalde toekomstige straf in angst en vreeze afwachtten, maar toch die straf zelve nog niet leden, want exspectatio supplicii non est ipsum supplicium. En zoo dachten in hoofdzaak ook William Sherlock, Thomas Burnet en vele andere Engelsche theologen, en onder de Lutherschen Calixtus, Hornejus, Zeltner en anderen 2). Zelfs keerden sedert de vorige eeuw in de Protestantsche theologie al die gedachten terug, welke vroeger door Heidenen en Christenen, door philosofen en theologen over den tusschentoesstand waren uitgesproken. De leer van het Roomsche purgatorium werd weer opgenomen door vele mystici en pietisten, zooals Böhme, Antoinette Bourignon, Poiret, Dippel, Petersen, Arnold, Schermer enz. 3), en voorts door Leibniz, Lessing, J. F. v. Meyer, en vele anderen4). In navolging van enkele oud-Christelijke schrijvers, leerden de Socinianen, dat, gelijk de lichamen tot de aarde, zoo de zielen tot God terugkeerden en bij Hem tot de opstanding toe een bestaan leidden zonder waarneming of gedachte, zonder lust of onlust5). Nauw daarmede ver-

!) Corpus Ref. XXXlil 177—232. Inst. III25,6. Verg. voorts ook nog Walaeus, Synopsis pur. theol. 40, 17. Witsius, Oec. foed. III 14, 33. Heidegger, Corpus theol. 28, 38.

") Verg. M. Vitringa, Doctr. IYT 63—69.

3) M. Vitringa, t. a. p. bl. 81, 82.

4) Leibniz, Syst. der Theol. 1825 bl. 340. Lessing, in zijne Erz. des Menschengescblechts. J. F. v. Meyer, Blatter f. höhere Wahrheit VI 233. Jung-Stilling, Theorie der Geisterkunde § 211. Lange, Dogm. II 1250 v. Rothe, Theol. Ethik § 793—795. Martensen, Dogm. § 276, 277. Dorner, Chr. Gl. II 952 v. Van Oosterzee, Dogm. § 142 enz. Vooral Anglikaansche theologen voelen voor de leer van het vagevuur veel sympathie, verg. Walter Wash, The secret history of the Oxford movement pop. ed. bl. 281 v.

5) Fock, Der Socin. bl. 714 v.

Sluiten