Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want was de leer van een zieleslaap, welke vroeger reeds door enkele ketters, later door de Anabaptisten werd voorgestaan en in de achttiende eeuw weer bij Artobe, Heyn, Sulzer *), en voorts bij Fries, Ulrici, de Irvingianen enz. ingang vond. Door anderen werd deze leer van de psychopannychie zoo gewijzigd, dat de zielen wel een inwendig bewustzijn behielden, maar van het verkeer met de buitenwereld waren afgesloten 2). Anderen vermeden deze leer van den zieleslaap door aan te nemen, dat de zielen bij de aflegging van het stoffelijk omhulsel den organischen grondvorm van het lichaam behielden, of ook, dat zij na den dood een nieuw, uit allerfijnste stof samengesteld lichaam ontvingen, waardoor zij met de buitenwereld in gemeenschap konden blijven3). Zelfs zijn er niet weinigen, die tot de oude leer der zielsverhuizing zijn teruggekeerd en haar in dezen vorm hebben aangeprezen, dat de zielen door voortgezette overgangen uit het eene in het andere menschelijke lichaam allengs de volmaaktheid deelachtig worden 4). De idee van ontwikkeling is tegenwoordig zoo de allesbeheerschende, dat zij ook op den toestand aan de overzijde des grafs wordt toegepast. De leer van den limbus patrum werd wederom overgenomen door Martensen, Delitzsch, Vilmar enz 5), en de meeuing, dat er in den

') Verg. Bretschneider, Dogm. II 395.

*) Fpiscopius, Op. II 2 bl. 455. Limborch, Theol. Christ. VI 10, 8. J. Muller, Lehre v. d. Sünde II 402-408. Martensen, Dogm. § 276. Ebrard, Dogm. § 57o! Dorner, Chr. 61. II 952 v. Frank, Chr. Wahrheit II 460.

3) Aldus Paracelsus, Helmont, Bölime, Oetinger, Ph. M. Hahn, Swedenborg, Priestley, Schott, Jean Paul, verg. Bretschneider, Dogm. II 396, en voorts Rothe, Ethik § 111 v. 793 v. Delitzsch, Bibl. Psych. bl. 426 v. Splittgerber, Tod, Fortleben und Auferstehung? bl. 45 v. enz.

4) De leer van de zielsverhuizing, fUTf-uipv/Mffig, /nsTevawfiuzwffi;, nuhyysveaict, reincarnatio, was van ouds een van de grondpijlers van den Hindoegodsdienst, Speyer, De Ind. theosophie bl. 86 v., werd volgens Herodotus ook door de Egyptenaren omhelsd, en vond later ingang bij Pythagoras, Kmpedocles, Plato, de Stoïci, de Neoplatonici, de Farizeën, de Kabbalisten, de Gi stiel, de Manicheën, in later tijd wederom bij Nolanus, Helmont, Dippel, Edelmann (verg. over dezen allen M. Viiringa, Doctr. IV 86-96), Lessing Schlosser, UngernSternberg, Schopenhauer {Flink, Schopenhauers Seelenwa-derung-dehre nn.l ihre Quellen. Bern 1906) enz. Verg. verder Burger, De Plat. leer der zielsverhuizing. Amersfoort 1877. Carl Andresen, Die Lehre v. d. Wiedertreburt auf theist. tirundlage- 1899. Bertholet, Seelenwanderung. Halle 1904. J. Baiimann, Unsterbhe keit und Seelenwanderung. Ein Vereinigungspunkt mnrgenl. und abendl. Weltansiuht. Leipzig 1909 enz.

jS! Martensen, Dogm. § 277. Delitzsch, Bibl. Psych. 407 v. Vilmar, Dogm. II 290. Splittgerber, t. a. p. bl. 110 v. Cremer, Ueber den Zustand nach. dein Tode 1883 bl. 9 v. Geref. Dogmatiek IV. i j

Sluiten