Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschentoestand nog prediking van het Evangelie en mogelijkheid van bekeering is, is een lievelingsdenkbeeld der nieuwe theologie1). Zelfs vatten velen heel het Jenseits als eene voortgaande loutering op, waarvan het resultaat is, dat sommigen mogelijk eeuwig verloren gaan (hypothetisch universalisme), of dat degenen, die in het kwade volharden, ten slotte vernietigd worden (conditioneele onsterfelijkheid) of dat aan het einde allen behouden worden (apocatastasis).

554. De geschiedenis van den tusschentoestand bewijst, dat het den theoloog en den mensch in het algemeen moeite kost, om zich te houden binnen de grenzen der H. Schrift en niet wijs te zijn boven hetgeen men behoort wijs te zijn. De gegevens, welke de H. Schrift over den tusschentoestand bevat, zijn genoegzaam voor het leven, maar laten vele vragen, die er kunnen oprijzen in het nieuwsgierig verstand, onbeantwoord. Indien men deze toch wil oplossen, kan men niet anders dan den weg van gissingen betreden, en loopt men gevaar, om het Goddelijk getuigenis door vindingen van menschelijke wijsheid teniet te doen. Reeds terstond komt dit uit bij het spreken over den dood en de onsterfelijkheid. De wijsbegeerte handelt hierover op eene gansche andere wijze dan de H. Schrift. Gene acht den dood iets natuurlijks en meent aan de ontsterfelijkheid, dat is aan het voortbestaan der ziel, genoeg te hebben. Maar de Schrift oordeelt gansch anders. De dood is niet natuurlijk, maar heeft zijne oorzaak in de overtreding van Gods gebod, Gen. 2 : 17, in den duivel, inzoover deze door zijne verleiding den mensch vallen en sterven deed, Joh. 8:44, in de zonde zelve, wijl zij ontbindend inwerkt op heel het menschelijk leven en als het ware den dood uit zichzelve voortbrengt, Jak. 1:15, in het oordeel Gods, wijl Hij de zonde met den dood bezoldigt, Rom. 6 : 23. En die dood is in de Schrift nooit met vernietiging, met niet-zijn identisch, maar bestaat altijd in verbreking der harmonie, in afsnijding van de verschillende levensverhoudingen, waarin een schepsel overeenkomstig zijne natuur geplaatst is, in terugkeer tot het elementaire, chaotische zijn, dat aan den ganschen kosmos, althans logisch, ten grondslag ligt. Volgens Herbert Spencer bestaat leven in voortdu-

!) Lange, Dogm. II 1250 v. Bothe, Theol. Ethik § 786, 797. Delitzsch, t. a. p. bl. 413. Kliefoth, Eschatologie bl. 97—113. Doedes, Ned. Gel. bl. 521. 1 an Oosterzee, Dogm. § 142 enz.

2) Verg. de later volgende § over de voleinding der eeuwen.

Sluiten