Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijv. het heilige hart, is wel niet per se en propter se, maar toch in se voorwerp van latria; Maria heeft aanspaak op hyperdulia; de heiligen op dulia ; hun reliquiën op cultus religiosus relativus enz.; tot sunt species adorationis, quot sunt species excellentiae adoratio est diversa diversitate excellentiae J). De vereering der heiligen bestaat over het algemeen in gebeden, vasten, waken, feestdagen, gaven, bedevaarten, processies enz., en heeft ten doel, om doorhunne voorbeden de gunst van God te verwerven en een of andere weldaad van Hem te verkrijgen. Maar deze vereering en voorbede is niet alleen generaal, doch ook particulier; er zijn bepaalde heiligen voor bepaalde volken, familiën, personen, en er zijn bijzondere heiligen voor de onderscheidene nooden en behoeften. De heilige George is de schutspatroon van Engeland, Jakobus van Spanje, Stephanus van Hongarije; de schilders vereeren den heiligen Lukas,. de timmerlieden Jozef, de schoenmakers Crispinus; de heilige Sebastiaan helpt vooral in pest, Ottilia bij oogziekte, Antonius in geval men iets verloren heeft; zelfs dieren hebben hun beschermheilige, de ganzen worden bijzonder door den heiligen Gallus en de schapen door den heiligen Wendelinus bewaard enz 2). Vele van deze voorstellingen zyn telkens ook in de Protestantsche theologie teruggekeerd. De Lutherschen gaven toe, dat de engelen en ook de heiligen bidden pro ecclesia universa in genere 3). Evenals Hugo Grotius reeds vroeger in zijn Votum pro pace de aanroeping der heiligen verdedigd had, zoo nam Leibniz later deze en zelfs de vereering van beelden en reliquiën in bescherming *). Het ritualisme in Engeland ging denzelfden kant uit 5). Vele theologen nemen aan, dat er na den dood een zeker verband tusschen de ziel

Verg. deel II 495 v. III 300, 347. j \ erg. Conc. Trid. XX\ . Catech. Rom. III 2 qu. 4—14. Lombardus e. a. op Sent. IV dist. 45. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 83 art. 11. Suppl. qu. 71. 72. Bellarminus, de ecclesia triumphante sive de gloria et cultu sanctorum, Controv. II 269 368 enz. \ oor de geschiedenis zie rnen: Die Anfange des Heili^enkults in der Christl. Kirche von Ernst Lucius, herausgeg. von G. Anrich. Tübingen 1904. Charles R. Morey, The beginnings of Saint worship, The Princeton Theol. Rev. April 1908. Fr. Pfister, Der Reliquienkult im Altertum. I Das Objek„ des Reliquienkultus. Giessen 1909 M. v. Wulf, Ueber Heilige und Heiligenverehrung in den ersten christl. Jahrh. Leipzig 1910. "JBonwetsch, art. Heiligenverehrung in. PRE3 VII 554—559. Hauck, art. Reliquien ib. XVI 630—634.

3) Apol. Conf. 21. Art. Smalc. II 2.

4) Leibniz, Syst. d. Theol. 1825 bl. 116—195.

6) Rijle, Knots untied bl. 491 v.

Sluiten