Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verricht God er soms wonderen door, 2 Kon. 13:21, Mt. 9 :21, Luk. 6 : 19, Hd. 5 :15, 19 :12, zij mogen niet zijn voorwerp van vereering, Deut. 34: 6, 2 Kon. 18: 4, 2 Cor. 5 : 16. Oswald rekent de invocatie en veneratie der heiligen dan ook tot de ‚ÄěTraditionsdogmen". Ook al wordt eene generale voorbede der heiligen voor de geloovigen op aarde toegegeven, dan volgt daaruit nog in het minst niet, dat zij daartoe mogen aangeroepen en vereerd worden. Want wel is een verzoek om iemands voorbede op zichzelf volstrekt niet ongeoorloofd, en heeft dan ook telkens onder de geloovigen plaats. Maar zulk een verzoek onderstelt steeds een of ander middel van verkeer, en moet mondeling of schriftelijk kunnen worden overgebracht. En dat juist ontbreekt hier en is ook met de leer der Schrift over den toestand der afgestorvenen in lijnrechten strijd. Rome durft daarom ook niet zeggen, dat de aanroeping en vereering der heiligen geboden en noodzakelijk is, maar spreekt alleen uit, bonum atque utile esse, suppliciter eos invocare 1). De theologie weet hoegenaamd niet duidelijk te maken, hoe da heiligen van onze gebeden kennis bekomen, en draagt allerlei gissingen voor. Sommigen meenen, dat zij hun door de engelen, die hier telkens op aarde komen, worden medegedeeld, of dat de heiligen evenals de engelen zich wondersnel verplaatsen kunnen en quodam modo ubique zijn; anderen zijn van oordeel, dat de heiligen door God zeiven van den inhoud onzer gebeden in kennisworden gesteld, of alle dingen, die zij noodig hebben te weten, in het Goddelijk bewustzijn aanschouwen; en ook zijn er, die zeggen, dat het niet noodig is, dat zij alles weten, mits zij maar gansch in het algemeen van onze behoeften kennis dragen, of ook, dat wij over de wijze, waarop zij van onze gebeden kennis bekomen, ons niet hebben te bekommeren 2). Daarbij komt nog, dat de Roomschen volstrekt niet met zekerheid weten, wie van de afgestorvenen in den hemel zijn en tot de volmaakte heiligen behooren. De vromen des O. T. verkeerden eerst in den limbus patrum en werden wel door Christus in den hemel overgebracht, maar staan toch te ver van ons af, om veel door ons te worden aangeroepen 3). Yan enkele vromen in het N. T., zooals Maria, de apostelen, en ook van de latere martelaren neemt Rome wel aan, dat zij in den

.*) Conc. Trid. XXV.

2) Thomas, S. Theol. II qu. 83 art. 4. Suppl. qu. 72 art. 1. Oswald, t. a. p. bl. 139-

3) Oswald, t. a. p. bl. 132, 167.

Sluiten