Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschelijk lichaam kwam, reeds in andere lichamen heeft gewoond ■en ook, nadat zij het menschelijk lichaam verlaten heeft, in nieuwe •organismen ingaat, om zich te louteren en eindelijk de volmaaktheid te bereiken. Deze leer is echter te zeer met de Schrift in strijd, dan dat zij ooit binnen de grenzen van het Christendom anders dan bij enkele secten en individueele personen instemming verwerven kon. Immers gaat zij uit van de gedachte, dat de zielen praeexistent zijn, oorspronkelijk geen lichaam bezaten en indifferent tegenover alle lichamen staan. Voorts strijdt zij met de leer der verlossing, die door Christus volbracht is en beschouwt de reiniging •en volmaking als het eigen werk van den mensch. En eindelijk maakt zij in het geheel niet duidelijk, hoe de zielen, door telkens in andere lichamen over te gaan, van de zonden bevrijd en tot de heiligheid opgeleid zouden kunnen worden 1). Meer invloed op de 'Christelijke theologie had de andere voorstelling, dat de zielen na den dood nog een tijd lang door allerlei straffen gereinigd moeten worden, om eerst daarna deel aan de hoogste zaligheid te verkrijgen. In het Parzisme vinden wij het geloof, dat er na de algemeene opstanding eene driedaagsche loutering volgt in vloeiend metaal, ■welke voor de goeden zacht, maar voor de boozen zeer pijnlijk is 2). De Joden leerden, dat alleen de volmaakt rechtvaardigen terstond naar den hemel gingen; de anderen werden naar Gehinnom verwezen, dat volgens sommigen voor alle menschen, maar in elk geval voor de Joden een purgatorium was 8). Sedert Origenes drong deze voorstelling ook onder de Christenen door en leidde daar tot de leer van het Roomsche vagevuur of van eene door vele Protestanten aangenomene louteringsperiode. Bij het eerste hooren heeft deze gedachte veel aantrekkelijks. De geloovigen toch zijn in het moment van hun sterven allen nog met zonde behept; zelfs de allerheiligsten bezitten nog maar een klein beginsel der volmaakte gehoorzaamheid. 'Deze zonde, welke den geloovigen aankleeft, zetelt voorts niet in .het lichaam, maar in de ziel, welke daarom in den hemel niet kan

Verg. De Moor, Comm. II 1081. M. Vitringa IV 87—97. Bretschneider, Syst. Entw. 846. Spiess, Entwicklungsgesch. der Vorst. v. Zustande nach dem Tode -31, 558. J. F. von Meijer, Blatter für höhere Wahrheit 1830 I 244—299. Gennrich, Die Lehre von der Wiedergeburt 1907. bl. 275—355. E. Falke, Gibteseine Seelenwanderung ? Halle 1904. Traub, Seelenwanderung, Der Geisteskampf der • Gegenwart 1909 bl. 285—303.

2) Ch. d. I. Saussaye, Eeligionsgesch. II 51.

3) Weber, System bl. 327.

Sluiten