Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leden, dat zij zich herinneren, een heden waarin zij leven, en eene toekomst, die zij te gemoet gaan. De rijke man weet, dat zijne broeders nog leven, Luk. 16:28; de zielen onder het altaar zien uit naar den dag der wrake, Op. 0: 10; de bruid verlangt naar de komst van Christus, Op. 22 :17; zij, die uit de verdrukking gekomen zijn, dienen God dag en nacht, Op. 7 :15; en die het beest hebben aangebeden, hebben geen rust dag en nacht, Op. 14: 11.

Indien nu de zielen in eenigen vorm van ruimte en tijd bestaan, kunnen zij ook niet zonder alle werkzaamheid gedacht worden. "Wel zegt Jezus, dat in den nacht des doods niemand werken kan, Joh. 9:4, en wordt de hemelsche zaligheid dikwerf in de Schrift als een rusten voorgesteld, Hebr. 4: 9, Op. 14: 13. Maar evenmin als het met elkander strijdt, dat God rust van zijn scheppingswerk, Gen. 2:2, en toch altijd werkt, Joh. 5:17, of dat Christus zijn werk op aarde had volbracht, Joh. 17: 4, en toch in den hemel plaats voor de zijnen bereidt, Joh. 14 : 3; evenmin sluit het een het ander uit, dat de geloovigen rusten van hunne werken en toch God dienen in zijnen tempel. Hun werk op aarde is af, maar daarom hebben zij in den hemel nog wel andere werken te doen. De Schrift leert dit duidelijk. Die in den Heere ontslapen zijn, zijn bij Jezus, Phil. 1:23, staan voor den troon Gods en van het Lam, Op. 7 : 9, 15, roepen en bidden, loven en dienen, Op. 6 :10, 7 :10, 15, 22 : 17. Trouwens, als zij bewustheid hebben en God, Christus, de engelen, elkander kennen, dan oefenen zij daarmede vanzelf werkzaamheden uit van verstand en van wil, nemen toe in kennis en worden bevestigd in liefde. Als Paulus zeggen kan, dat de geloovigen op aarde, door de heerlijkheid des Heeren in den spiegel van zijn woord te aanschouwen, naar zijn beeld in gedaante veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid, 2 Cor. 3:18; hoeveel te meer zal dat dan het geval zijn, als zij toegelaten worden tot zijne onmiddellijke tegenwoordigheid en Hem zien van aangezicht tot aangezicht ? Verandering van staat is er niet; er is ook geene ontwikkeling in aardschen zin; zelfs geene heiligmaking, gelijk in de strijdende kerk, want de heiligheid zelve is aller deel. Maar gelijk Adam vóór den val en Christus als mensch, schoon volkomen heilig, toch toenemen konden in genade en wijsheid, zoo is er in den hemel eene voortgaande bevestiging van staat, een altijd meer gelijkvormig worden den beelde des Zoons, een nimmer eindigend opwassen in de kennis en liefde van God. En daarbij heeft ieder zijn eigen taak en plaats. De Roomschen nemen aan,

Sluiten