Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het einde der derde wereldperiode de verschijning van den derden zoon van Zarathustra, Saoshyant, verwacht, die een duizendjarig vrederijk inleiden en het verlossingswerk van zijn vader voltooien zou J). En onder de Mohammedanen kwam naast het geloof aan de wederkomst van Jezus ook langzamerhand de verwachting van een Mahdi op, die de geloovigen weder in den gouden tijd van de „vier rechtvaardige Khalifs" terugvoeren zou 2). Bij Israël werd de verwachting aangaande de toekomst gebouwd op den grondslag van het verbond, dat God met Abraham en zijn zaad had opgericht. Dit verbond toch draagt een eeuwig karakter en wordt door 's menschen ontrouw niet teniet gedaan. Reeds in de wet betuigt God herhaaldelijk aan het volk van Israël, dat Hij, wanneer het zijn verbond overtreedt, het met de zwaarste straffen bezoeken, maar zich daarna toch weer zijner ontfermen zal. Als Israël om zijne zonden onder de volken verstrooid en zijn land verwoest zal zijn, dan zal de Heere in dien tijd door het aannemen van andere volken Israël tot jaloerschheid verwekken en daarna het bekeeren en terugvoeren in zijn land, het zegenen met allerlei geestelijke en stoffelijke zegeningen en wrake doen over al zijne vijanden, Lev. 26, Deut. 4 • 23—31, 30:1—10, 32 :15—43. Na de belofte aan Davids huis, dat het bestendig en zijn stoel vast zou zijn tot in eeuwigheid, 2' Sam. 7 :16, 23 : 5, 1 Chr. 17 :14, krijgt in de verwachting aangaande Israels toekomst dit element hoe langer hoe meer beteekenis, dat de bekeering en het herstel van Israël niet anders zal tot stand komen dan door den gezalfden koning uit Davids geslacht. In de profetie worden deze gedachten breeder ontwikkeld en nemen zijr ondanks de eigenaardigheid, die zij bij elk der profeten dragen, steeds vaster vormen aan.

In de verwachting, welke het Oude Test. koestert aangaande de toekomst van het volk Gods, zijn de volgende momenten duidelijk te onderscheiden. Alle profeten verkondigen 1° aan Israël en Juda een dag des gerichts en der straf. De i-ni-p dt>, dat is, de tijd, waarin de Heere zich over zijn volk ontfermen en zich aan zijne vijanden wreken zal, werd door de profeten gansch anders dan door het

R. Schneider, Christl. Klange bl. 250 v. 292 v. Liilcen, Traditionen des Menschengeschlechts 1869 bl. 407 v. Kuyper in de artikelen over de Voleinding, Heraut n. 1732 v.

*) Edv. Lehmann in Ch. d. I. Saussaye's Eeligionsgesch. II3 225.

-) C. Snouck Hurgronje, Der Mahdi. Separatabdruck von der Revue Coloniale Internationale 1885.

Sluiten