Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volk opgevat. Het volk misbruikte deze verwachting en dacht, dat Jhvh het, afgezien van zijn geestelijken toestand, tegen alle gevaar beschermen zou, Am. 5 :18, 6 : 13, Jer. 29, Ezech. 33 : 23v. Maar de profeten zeiden, dat de dag des Heeren ook voor Israël een dag des gerichts zou zijn; het volk zou in ballingschap gaan en zijn land aan de verwoesting worden prijs gegeven, Am. 2 : 4v., 5 :16, 18, 27, 6 :14 enz., Hos. 1:6, 2 : 11, 3:4, 8 : 13, 9 : 3, 6, 10 : 6, 11: 5, 13 :12, 14 :1, Joël 2 : lv., Mich. 3 : 12, 4 :10, 7 :13, Zef. 1:1—18, Hab. 1: 5—11, Jes. 2 : llv., 5 : 5v., 7 :18., Jer. 1: 11— 16 enz. Maar toch, die straf is 2° tijdelijk. Er komt een einde aan na vele dagen, Hos. 3:3, na enkele dagen, dat is na een korten tijd, 6:2, na zeventig jaren, Jer. 25:12, 29: 10, na driehonderd en negentig jaren voor Israël en veertig jaren voor Juda, Ezech. 4: 4v. God kastijdt zijn volk met mate, Jes. 27: 7v., Jer. 30:11, Hij verlaat het slechts voor een kleinen tijd; zijn toorn is klein, maar zijne goedertierenheid is eeuwig, Jes. 54: 7, 8. Hij heeft zijn volk lief met eene eeuwige liefde, en zal zich daarom weder ontfermen, Mich. 7 : 19, Jer. 31: 3, 20. Hij kan zijn volk niet verderven, al schudt Hij het ook als in eene zeef, Am. 9:8, 9. Zijn berouw is in Hem ontstoken, Hos. 11 :8. Hij gedenkt ziju verbond, Ezech. 16 :60. Hij zal zijn volk verlossen, niet om Israels wil, maar om zijns naams wil, om zijn roem onder de Heidenen, Deut. 32 : 27, Jes. 43 : 25, 48 : 9, Ezech. 36 : 22. Aan het einde van den straftijd zendt God 3° den Messias uit Davids huis. Obadja spreekt nog in het algemeen van heilanden, die de op Zion ontkomene gemeente beschermen, vs. 17, 21, cf. Jer. 23 : 4, 33 :17, 20, 21, 22, 26. Amos zegt, dat God na het gericht over Israël de vervallen hut van David weer oprichten zal, 9:11. Hosea verwacht, dat de kinderen Israels zich bekeeren zullen en den Heere zoeken en ook David hunnen koning, 1:11, 3:5, cf. Jer. 30:9. Ezech. 34:23. 24, 37: 22—24. Micha profeteeert, dat Israël niet eerder uit de macht der vijanden verlost zal worden, voordat uit het Davidisch koningshuis te Bethlehem de Heerscher geboren zal zijn, 5:1, 2. Dat Hij niet uit Jeruzalem maar, evenals David zelf, uit Bethlehem zal voortkomen, bewijst, dat het Davidisch koningshuis den troon verloren heeft en tot een staat van nederheid vervallen is. Jesaja zegt dan ook, dat er een rijsje zal voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, 11:1, 2, en Ezechiël drukt dezelfde gedachte aldus uit, dat de Heere van den oppersten tak des hoogen ceders een klein, teeder takje nemen zal, 17 : 22. God zal hem als eene spruite aan

Sluiten