Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Davids huis doen uitspruiten, Jes. 4: 2, Jer. 23 :5, 6, 33 :14—17 zoodat hij daarnaar ook den naam van Spruite draagt, Zach. 3 :8, 6:12. In Israels lijdenstijd geboren, zal deze Davidide opgroeien in armoedige omstandigheden, Jes. 7 :14—17; Hij is een koning, maar rechtvaardig, zachtmoedig, nederig en daarom rijdende op het veulen eener ezelin, Zach. 9:9; met de koninklijke verbindt hij de profetische, Deut. 18: 15, Jes. 11: 2, 40-66, Mal. 4: 5 en de priesterlijke waardigheid, Jes. 53, Jer. 30:21, Zach. 3, 6:13, Ps. 110, het rijk, dat Hy komt stichten, is een rijk van gerechtigheid en vrede, Jes. 11, 40-66, Mich. 5:9. Ps. 72. 110; Hij is en verwerft zelf de gerechtigheid en het heil voor zijn volk, Jes. 11, 42, 53, Jer. 23 : 5, 6, Ps. 72 enz. Zijne verschijning heeft daarom niet eerst plaats na den dag des gerichts, maar gaat daaraan vooraf; Juda wordt eerst verlost, als God aan David eene spruite schenken zal, Jes. 9:1—16, 11 : lv., Jer. 23:5, 6, 33:14—17.

Tot de weldaden 4°, die door dezen Gezalfde aan zijn volk geschonken zullen worden, behoort allereerst de terugkeer uit het land der ballingschap. Land, volk, koning en God behooren bijeen; het herstel van Israël begint daarom met terugkeer uit de ballingschap, Am. 9 : 14, Hos. 11 :11, Mich. 4 : 6, Joël 3 :1, Jes. 11:11, Jer. 3 :18, Ezech. 11:17 enz. Die terugkeer zal volgens de schildering van Jesaja buitengewoon heerlijk zijn; de wildernis zal bloeien als eene roos, bergen zullen geslecht en dalen gevuld worden; er zal een gebaande weg zijn, waarop ook de blinde niet dwalen kan, 35 : 1 9, 41: 17 20, 42 :15, 16, 43 :19, 20 enz. In dien terugkeer zal zoowel Israël als Juda deelen, Am. 9 : 9—15, Hos. 1: 11 14:2—9, Jes. 11:13, Jer. 3:6, 18, 31: 27, 32 : 37—40, Ezech.' 37:17, 47:13, 21, 48:1-7, 23-29. Maar aan deze verwachting beantwoordde de terugkeer uit de Babylonische gevangenschap slechts zeer ten deele. De na-exilische profeten zien daarom in dien terugkeer slechts een begin van de vervulling der beloften, maken hunne verwachting los van een terugkeer uit de ballingschap, en spreken, behalve Zach 8:13, niet meer van de tien stammen; de teruggekeerden beschouwden zich als de vertegenwoordiging van het gansche Israël, Ezr. 6:17. Trouwens vatten al de profeten 5° den terugkeer uit de ballingschap tevens in ethischen zin, als eene bekeering van Israël, op. Vergadering uit de volken en besnijdenis des harten gaan saam, Deut. 30: 3—6. Lang niet allen zullen terugkeeren en zich bekeeren tot den Heere; velen, de meesten, zullen in het gericht, dat de dag van Jhvh ook over Israël brengen zal,

Sluiten