Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schuldigt hunne verwerping van den Messias, verzwaart het deksel, dat op hun aangezicht ligt bij het lezen des Ouden Testaments, en bevordert de inbeelding, dat de vleesehelijke afstammeling van Abraham nog als zoodanig een prerogatief zal hebben in het koninkrijk der hemelen. De Schrift echter zegt, dat de ware lezing en verklaring van het O. Test. te vinden is bij hem, die tot den Heere Christus is bekeerd, 2 Cor. 3:14—16, dat die een Jood is, die het in het verborgene is en de besnijdenis des harten deelachtig, Rom.

2 :29, dat er in Christus geen man of vrouw, geen Jood of Griek is, maar dat zij allen één zijn in Christus Jezus, 1 Cor. 12 :13, Gal.

3 : 28, Col. 3 :11. De Jood, die Christen wordt, was niet maar werd door zijn geloof een kind van Abraham, Gal. 3: 29 1).

566. Ofschoon hiermede in het algemeen het resultaat reeds vaststaat, dat het Nieuwe Testament antichiliastisch is 2), moet dit toch nog in bijzonderheden nader worden aangetoond. Het Chiliasme sluit de verwachting in, dat er tegen de wederkomst van Christus eene volksbekeering van Israël zal plaats hebben, dat de Joden dan naar Palestina terug zullen keeren, en vandaar uit onder Christus over de volken heerschen zullen. Daarbij is er onder de chiliasten verschil over, of de bekeering aan den terugkeer of deze aan gene zal voorafgaan 3). Wijl het moeilijk te denken is, dat de verstrooide Joden eerst successief bekeerd worden en dan samen het plan opvatten, om naar Palestina te gaan, meenen sommigen, dat de Joden eerst langzamerhand naar Kanaan terugkeeren en daar dan later gezamenlijk tot Christus zullen bekeerd worden, of trachten anderen beide gevoelens zoo te vereenigen, dat er eerst een groot deel van de Joden naar Palestina trekken, en dat dezen, na eerst

') Verg. tegen het Chiliasme o. a. Augustinus, de civ. Dei XX c. 6—9. Luther bij Köstlin II 564 v. Gerhard, Loc. XXIX c. 7. Quenstedt, Theol. IV 649. Caltrijn, Inst. III 25, 5. Walaeus, Op. I 537—554. Voetius, T)isp. I! 1248 — 1272. Turretinus, Theol. EI. XX qu. 3. De Moor, Comm. VI 149—162. Hengstenberg in zijn comm. op de Openb. v. Joh. Keil op Ezechiel 1868 bl. 495 v. Kliefoth, Eschatologie 1886 bl. 147 v. Philippi, Kirchl. Gl. VI 214 v. Hodge, Syst. Theol. 111 805—812, 861—866. Warfield, The Millennium and the Apocalypse, The Princeton Theol. Rev. Oct. 1904 bl. 599—617. G. Vos, The Pauline Eschatology and Chiliasm, ib. Jan. 1911 bl. 26—60. Kuyper, Heraut 981—1003. H. Hoekstra, Het Chiliasme. Kampen 1903.

^ Aldus Kuenen, Profeten II 271.

3) Bijv. Guers, Israels toekomst en herstel bl. 171

Sluiten