Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zooals in de gemeente in haar geheel de gansche menschheid wordt gered. g. Eene andere bekeering van Israël, dan op de door Paulus aangegeven wijze laat zich ook moeilijk denken. Wat toch is eene volksbekeering, en hoe en wanneer zal zij bij Israël plaats hebben? Er is natuurlijk niets tegen, veeleer pleit het feit van het voortbestaan van het volk Israels in verband met de profetie ervoor, dat er ook uit Israël nog een zeer groot getal tot het geloof in Christus worden gebracht; maar hoe groot dit getal ook zij,'het blijft een overblijfsel naar de verkiezing der genade. Ook de sterkste chiliast zal toch niet denken, dat eenmaal aan het einde alle Joden zonder uitzondering zullen worden bekeerd. En ook al nam hij dat aan, meenende, dat zoo alleen Rom. 11:25 ten volle vervuld werd, dan zou zulk eene volksbekeering aan het einde toch nog niet ten goede komen aan de millioenen Joden, die door de eeuwen heen tot op den eiudtijd toe in ongeloof en verharding zijn weggestorven. Indien men werkelyk meent, dat Gods belofte aan Israël dan alleen waarlijk vervuld wordt, wanneer niet een sxkoyij uit het volk maar het volk zelf toegebracht wordt, dan komt men met de geschiedenis in conflict. Altijd, alle eeuwen door, ook in de dagen des O. T., toen het nationale Israël Gods volk was, was het slechts een klein deel des volks, dat in waarheid God diende en vreesde. En zoo is het niet alleen bij de Joden, maar zoo is het ook bij de Heidenen. Altijd is het een overblyfsel naar de verkiezing der genade, dat uit de Christenvolken de zaligheid in Christus deelachtig wordt. Bovendien blijft er voor zulk eene volksbekeering van Israël als de chiliasten verwachten, in Paulus' schets van de toekomst geen plaats over. Hij zegt toch uitdrukkelijk, dat de verharding over een deel van Israël gekomen is, totdat het pleroma der Heidenen is ingegaan, en dat niet daarna maar dat op die wijze gansch Israël zalig wordt, Rom. 11:25, 26. De verharding over een deel van Israël duurt dus zoolang, totdat het pleroma uit de Heidenwereld toegebracht is, en volgens de chiliasten moet dan daarna de volksbekeering van Israël vallen. Maar ligt er dan nog eene tijdruimte tusschen het ingaan van het pleroma der Heidenwereld en het einde der eeuwen? Zoo ja, zijn er in dien tijd dan ook nog Heidensche volken, en wordt er uit hen geen enkele meer bekeerd? Het ingaan van het pleroma der Heidenen laat zich niet denken als tijdelijk voorafgaande aan het zalig worden van gansch Israël. Rom. 11 :26 noemt geen nieuw feit, dat na het ingaan van de volheid der Heidenen plaats giijpt. Maar het ingaan van de volheid der Heidenen en het zalig

Sluiten