Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden van gansch Israël loopen parallel, omdat de verharding maar voor een deel over Israël gekomen is. Ten slotte merke men nog op, dat, al zou Paulus aan het einde ook eene volksbekeering van Israël verwachten, hij toch met geen woord melding maakt van een terugkeer der Joden naar Palestina, van een herhouw van stad en tempel, van eene zichtbare Christusregeering; in zijn toekomstbeeld is voor dat alles geen plaats 1).

568. Bij het bespreken van de verwachtingen, welke het N. Test. in de toekomst koestert ten aanzien van het volk Israël, werd nog in het midden gelaten, of het N. Test. misschien op andere plaatsen dan de daar ter sprake gebrachte een tusschenstaat leert tusschen deze bedeeling en de voleinding der eeuwen. Indien dit, zoo werd erkend, het geval was, dan konden Mt. 23: 3<— 39, Luk. 21:24 en Hd. 3 : 19—21, ofschoon zij op zichzelve tot het aannemen van zulk een overgangstijd volstrekt geen aanleiding gaven, toch in dien geest worden opgevat en verklaard. Thans komt daarom de vraag aan de orde, of er volgens Jezus en de apostelen voor de gemeente een tijd van macht en heerlijkheid te wachten is, welke aan de algemeene opstanding en het wereldgericht voorafgaat. Indien dit zoo ware, zouden wij daarvan duidelijk melding verwachten in de eschatologische rede, welke Jezus in de laatste dagen van zijn leven tot zijne jongeren hield, Mt. 24, Mk. 13, Luk. 21. Maar er is daarin geen woord, zelfs geen zinspeling op zulk een rijk vervat. De chiliasten trachten hun millennium wel op de eene of andere plaats in deze rede in te lasschen, en zeggen bijv., dat de eerste komst van Christus in Mt. 24:27 en de tweede komst in vs. 30 vermeld wordt, maar deze exegese- mist toch allen grond. In zijne eschatologische rede geeft Jezus antwoord op twee vragen, die zijne discipelen Hem doen, n.1. wanneer de dingen geschieden zullen, die Hij aangaande Jeruzalem gesproken heeft, n.1. dat er van den tempel geen steen op den ander gelaten zal worden, en welk het teeken zal zijn van zijne toekomst en van de voleinding

') Verg. over de bekeering der Joden, behalve de commentaren op Kom. 11, Voetius, Disp. II 124 v. Witsius, Oec. foed. IV 15,20 32. De Moor, \ I 127 130. Hodge, Syst. Theol. III 805. Klle/oth, Eschatologie 147 enz. Overigens denke men over het getal Joden, dat in den loop der tijden en ook in deze eeuw tot het Christendom bekeerd wordt, niet te gering. Percentsgewijze is het grooter dan. dat van de Heidenen; Pastor le Roy berekende het getal Joden, dat in de 19e eeuw Christen werd, op ruim 220,000, Der Geisteskampf der Gegenwart 1911 bi. 112.

Sluiten