Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en daar zeker wonen zal, nog eenmaal aangevallen zal worden door Gog van het land Magog, vorst van Rosch, Meschech en Tubal, dat is door het volk der Scythen, in verbinding met allerlei andere volken uit het noorden, oosten en zuiden. De aanval eindigt echter daarmede, dat God zelf deze volken op de bergen Israëls in zijn toorn verdelgen zal, c. 38 en 39. In hoofdst, 38:17 zegt de Heere, dat Hij van die volken reeds vroeger door den dienst zijner proleten gesproken heeft. En inderdaad verkondigden reeds vroegere profeten, dat niet alleen die historische volken, in wier midden Israël leefde en met wie het in aanraking kwam, maar ook alle veraf wonende Heidenen door den Heere in zijnen dag gericht zouden worden, Joël 2:32, 3:2, 11 v., Mich. 4:5, 11, 5 : 6—8, Jes. 25 : 5—8, 26 : 21, Jer. 12 :14—16, 30: 23, 24. Zeer duidelijk komt soortgelijke profetie bij Zacharia voor, die in hoofdst.

schetst, hoe tegen den dag des Heeren Jeruzalem door de volken belegerd, en deze dan door den Heere gericht zullen worden. En Daniël ziet niet alleen in Antiochus Epiphanes de belichaming van het Gode vijandige wereldrijk, maar verwacht ook, dat deze Gode vijandige macht nog eenmaal zich verheffen en alzoo voor het gericht rijp worden zal, 11:40 v. Tweeërlei was dus de verwachting der profetie, eerst van eene overwinning van het volk Gods over de volken, in wier midden het woonde, en daarna van eene zegepraal over de volken, die tot dusver nog niet verschenen waren op het tooneel der wereldgeschiedenis. Deze dubbele verwachting gmg over in de apocriefe litteratuur '), en ook in het Nieuwe Testament. Natuurlijk staat de eerste verwachting op den voorgrond. De verschijning van Christus roept het antichristelijk beginsel wakker. Jezus spreekt van xpsvSonqotfr^ai en ipsvóo/Qiaioi, die zich stellen zullen tegenover Hem en zijn rijk, Mt. 7 :15, 24 : 5, 24, Mk. 13:21, 22, Luk. 17 : 23. Om het ongeduld der Thessalonicensen bij hunne verwachting van Jezus' spoedige wederkomst te temperen, wijst Paulus er in 2 Thess. 2 op, dat die dag van Christus niet aanbreekt, tenzij eerst kome de apostasie en geopenbaard worde de mensch der zonde. Deze kan nu nog niet komen, wijl er iets is, wat hem wederhoudt. Wel is thans ook reeds werkzaam to fxvacrjQiov zrjg avo/xiag, maar toch kan de mensch der zonde niet komen, voordat hij, die hem wederhoudt, uit het midden weggedaan zij. Daarna eerst zal de ctvofiog geopenbaard, maar ook aanstonds

') Schürer, Gesch. d. jüd. Volkes II3 532, 551.

Sluiten