Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het volstrekt eenvoudige zijn. En toch moet er bij alle organismen en zoo ook bij het menschelijk lichaam iets zijn, dat in de steeds voortgaande gedaanteverwisseling zijne identiteit behoudt. Wat ongerijmds is er dan in, om aan te nemen, dat zulk een „organische grondvorm", zulk een „schema der individualiteit" ook na den dood van het menschelijk lichaam overblijft, om als zaad te dienen voor het lichaam der opstanding? Want dit staat volgens de Schrift vast, dat het lichaam der opstanding niet door de zaligen uit den hemel meegebracht of uit geestelijke, hemelsche elementen gevormd wordt. Het lichaam der opstanding komt niet uit den hemel maar uit de aarde; het is geen eigengevormd product van pneuma of psyche, maar komt uit op het lichaam, dat bij den dood in het graf werd gelegd; en het is daarom niet geestelijk in dien zin, dat het pneuma tot zijne substantie zou hebben, maar het is en blijft stoffelijk, al is die stof niet meer tot verderfelijk vleesch en bloed, maar tot een verheerlijkt lichaam georganiseerd *).

574. Na de opstanding volgt het gericht, dat in het Oude Testament voorgesteld wordt als eene overwinning door den Messias van alle vijanden Israels, maar in het Nieuwe Testament meer geestelijk beschreven wordt als een richterlijk werk van Christus, waarbij Hij alle menschen oordeelt en vonnist overeenkomstig de wet, door God hun gegeven. Jezus toch is de eerste maal op aarde gekomen, niet om de wereld te veroordeelen doch om haar te behouden, Joh. 3 : 17, 12 : 47; maar toch heeft Hij terstond bij zijne verschijning eene y.Qiffig in het leven geroepen^ die tot gevolg en tot doel heeft, dat degenen, die niet zien, zien mogen en die zien, blind worden, 3 :19, 20, 9: 39. Jezus houdt voortdurend als Zoon des menschen gericht, als Hij aan degenen,, die gelooven, reeds hier op aarde het eeuwige leven schenkt en op hen, die niet gelooven, den toorn Gods laat rusten, 3 : 36, 5 : 32—27. Er is dus ongetwijfeld een inwendig, geestelijk oordeel -t eene crisis, die zich voltrekt van geslacht tot geslacht; een im-

Tertullianus, de resurrectione carnis. Augustinus, de civ. XXII c. 12—20. Enchir. 84—93. Lombardus, IV dist. 43. Thomas, suppl. qu. 82—97. Oswald, Eschat. 262 v. Gerhard, Loc. XXVI tract. 2. Quenstedt, Theol. IV 576 - 605. Polanus, Synt. VI c. 66. Synopsis pur. theol., disp. 51. Mastricht, Theol. VIII 4, 6. Turretinus, Theol. El. XX qu. 1—3. Marck, Exspect. J. C. II c. 1—18. M. Vitringa, IV 109— 156. Kliefoth, Eschat. 248 v. Splittgerber, Tod, Fortleben und Aufcrstehung31879. Nitzseh, Ev. Dogm. 614 v. Art. Auferstehung in PRE3 enz.

Sluiten