Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de engelen zullen oordeelen. "Want deze uitspraak mag niet verzwakt worden tot een goedkeuren door de geloovigen van het oordeel, dat Christus over wereld en engelen velt, maar duidt bepaald blijkens het verband aan,' dat de heiligen deel zullen nemen aan het oordeel over de wereld en engelen. Trouwens beloofde Jezus reeds aan zijne twaalf discipelen, dat zij met Hem zitten zouden op twaalf tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israels, Mt. 19 : 28, Luk 22 : 30, en Johannes zag rondom den troon Gods tronen in den hemel, bezet door de ouderlingen der gemeente, Op. 4:4, 11:16, 20:4, 6. Christus toch en zijne gemeente zijn één; wat wereld en engelen tegen haar hebben misdaan, dat rekent Hij, als ware het tegen Hem geschied, Mt. 25:40, 45, Mk. 9: 41, 42. Zelfs tot de goede engelen breidt dit oordeel van Christus en zijne gemeente zich uit, 1 Cor. 6 :4, want de engelen zijn gedienstige geesten, die tot den dienst uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen en daarom in het toekomstig Godsrijk eene plaats erlangen naar den dienst, welken zij in betrekking tot Christus en zijne gemeente hebben verricht. In het visioen van Johannes trekt daarom Christus, door zijne heirlegers omringd, de antichristelijke macht tegemoet, Op 19 : 11—21; de triumfeerende kerk heeft deel aan zijne koninklijke heerschappij, Op. 20:4—6, en maakt ten slotte met Christus aan allen tegenstand een einde, als Hij de volken oordeelt, die in de vier hoeken der aarde wonen, Op. 20 : 7—10 x).

575. De plaats, waarheen de goddeloozen na het gericht verwezen worden, draagt in het N. Test. den naam van gehenna. Het Hebr. aisn ^ was oorspronkelijk de naam van het dal van Hinnom, dat ten zuidoosten van Jeruzalem lag en volgens Jos. 15 : 8, 18: 16 de grensscheiding tusschen twee stammen vormde. Onder Achaz en Manasse werd dit dal een plaats voor den cultus van Moloch, te wiens eere kinderen werden geslacht en verbrand, 2 Kon. 16 : 3, 21:6, 2 Chr. 28: 3, 33 : 6, Jer. 32 : 34, 35. Daarom werd deze plaats onder Josia verwoest en door de priesters onrein verklaard, 2 Kon.

*) Verg. over het laatste oordeel: LombarcLus, Sent. 43 v. Tliomas, Suppl. qu. 88—90. Oswald, Eschat. 334 v. Atzberger, Die christl. Eschat. 356—370. Gerhard, Loc. XXVIII. Quenstedt, Theol. IV 605—634. Polanus, Synt. VI c. 69. Synopsis pur. theol., disp. 51. Mastricht, Theol. VIII 4, 7. Turretinus, Theol. XX qu. 6. Marck, Exspect. J. 0. 1. III c. 1—18. De Moor, VI 706—718. Kliefoth, Eschat. 236 v 275 v. Art. Gericht in PRE3 enz.

Sluiten