Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23: 10. Jeremia profeteerde, dat hier een vreeselijk bloedbad voor de Israelieten aangericht en de naam van het dal Tofeth in dien van moorddal veranderd zou worden, Jer. 7 : 32, 19 : 6. En het apocriefe boek Henoch uitte de verwachting, dat in dit dal de goddeloozen verzameld zouden worden tot het gericht. Om deze reden werd later de naam Gehinnom overgedragen op de strafplaats der goddeloozen na den dood. Volgens anderen echter had deze overdracht eene andere oorzaak. Nadat het dal van Hinnom door Josia verwoest was, werd het volgens de latere Joden gebruikt voor het nederwerpen en verbranden van allerlei onreinigheid. Evenals Gan Eden de plaats aanduidde, waar na den dood de rechtvaardigen vertoefden, werd Gehinnom de naam van het oord, waarheen de onreinen en goddeloozen werden verwezen, om er straf te lijden in het eeuwige vuur. Vuur was trouwens al van ouds een openbaring en symbool van den toorn en de grimmigheid des Heeren. Israels God is een verterend vuur, een eeuwige gloed, Deut. 4 :24, 9 : 3, Jes. 33:14; Hij sprak tot de kinderen Israels uit het midden des vuurs, Deut. 4 : 12, 33, 5 : 4, 22—26, 9 : 10, 10 : 4, cf. Ex. 3 : 2 ; zijn toorn is een brandend vnur, uitgaande uit zijn neus, Ps. 18: 9, 79 : 5, 89:47, Jer, 4:4; vuur, uitgaande van het aangezicht des Heeren, verteert de offerande, Lev. 9:24; door vuur verdelgt Hij Nadab en Abihu, Lev. 10: 2, de murmureerders des volks, Num. 11:1, Ps. 106:18, de Korachieten, Num. 16 :35, de benden, die tegen Elia worden afgezonden, 2 Kon. 1: lOv.; en in vuur komt Hij eenmaal, om recht te doen op aarde en de goddeloozen te straffen, Deut, 32 :22, Ps. 11: 6, 83 :15, 97 : 3, 140 : 11, Jes. 30 : 33, 31: 9, 66:15, 16, 24, Jer. 4:4, 15:14, 17:4, Am. 1: 4v., Joël 2:30; en 'dat vuur brandt tot in den benedensten Scheol, Deut. 32 : 22, het wordt nimmer uitgebluscht, Jes. 66:24, en brandt eeuwig, Jer. 17:4. Deze voorstelling ging over in het N. Testament. Gehenna is de strafplaats der goddeloozen na den oordeelsdag, onderscheiden van aórfi, (pvXaxrn rifivGaog, maar identisch met de xafiivog xov TTVQog, Mt. 13 : 42, 50 en de ki^vrj rov nVQog, Op. 19 : 20, 20 :10, 14, 15, 21:8. Het is de plaats, bestemd voor het beest uit den afgrond en voor den valschen profeet, Op. 19:20, voor Satan en zijne engelen, Op. 20: 10, voor dood en hades, Op. 20: 14, en voor alle goddeloozen, Op. 20:15, 21:8. En dezen worden er allen ingeworpen na de opstanding, Mt. 5 : 29, 30, 10: 28, en na het eindgericht, Op. 19 : 20, 20: 10, 14, 15, 21: 8, terwijl vóór dien tijd de hades, de gevangenis, <pvkaxrj, 1 Petr. 3 :19, Op. 20 : 7, of de abys-

Sluiten