Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wig Gerhard, F. C. Oetinger, Michael Hahn, Jung-Stilling, Swedenborg enz., en in den nieuweren tijd bij Schleiermacher en vele anderen 1). Veel grooter instemming vond echter nog een derde gevoelen, dat onder den naam van conditioneele onsterfelijkheid bekend staat. Hoewel de vroegere theologie zeer dikwerf van de onsterfelijkheid sprak in geestelijken zin, als eene gave, door Christus verworven, toch dacht daarom schier niemand eraan, om de natuurlijke onsterfelijkheid der ziel te loochenen. Het eerst leerden de Socinianen onder den invloed van hun abstract supranaturalisme, dat de zielen niet van nature onsterfelijk waren, maar dit eerst werden in geval van gehoorzaamheid door eene gave Gods. Daaruit volgde, dat de goddeloozen en de duivelen krachtens eene natuurlijke vergankelijkheid eenmaal moesten ophouden te bestaan. Socinus sprak dit nog niet zoo duidelijk uit, maar zijne volgelingen leerden zonder omwegen, dat de tweede dood in vernietiging bestond; en deze had dan volgens Crell, Schmalz e. a. niet bij of spoedig na den dood, doch eerst na de algemeene opstanding en het wereldgericht plaats 2). Van de Socinianen werd deze leer overgenomen door Locke, Warburton, Whiston, Dodwell, Walter e. a.r en in de vorige eeuw door Rothe en Weisse 3). Vooral echter begon zij opgang te maken en aanhangers te vinden, sedert zij in 1875 verdedigd werd door Edward White in zijn Life in Christ, a study of the Scripture doctrine on the nature of man, the object of the divine incarnation and the conditions of human immoratality 4). Dit boek bracht vele pennen in beweging en lokte niet alleen ernstige bestrijding, doch ook velerlei betuiging van instemming uit. Tegenwoordig vindt het conditionalisme in alle landen talrijke verdedigers 5).

>) Schleiermacher, Chr. Gl. § 117-120. Anhang § 163. Schweizer, Gl. II 577 v. 591, 604. Schoeberlein, Prinzip u. System d. Dogm. bl. 679. Riemann, Die Lehre v. d. Apokatastasis2. Magdeburg 1897. O. Schrader, Die Lehre v. n. Apokatastasis. Berlin Fröhlich 1901. Hastie, The Theol. of the Reformed Church 1904 bl. 277 v. Scholten Initia bl. 268 v. W. Francken, Geloof en Vrijheid 1886. J. C. Eyhnan» Algera. of cond. onsterfelijkheid, Theol. Stnd. 1908 bl. 359-380. Verg. Kösthn, art. Apokatastasis in PEE3 I 616—622.

2) Fock, De Socin. bl. 714 v.

3) Rothe, Theol. Ethik § 470—472. Weisse, Ueber die philos. Bedeutung der Cbristl. Eschat., Theol. Stud. u. Krit. 1836. Philos. Dogm. § 970.

4) Third, edition, revised and enlarged. London Elliot Stock 1878.

5) Bijv. Row, Future Retribution 1887. Stokes, Oonditional Immortality. S. D.

Sluiten