Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volkomen openbaar; het behoort wezenlijk tot den aicov peUtov, Luk, 18: 30, is onverderfelijk, Joh. 11:25, 26, en heet eeuwig, evenals de oixoóo/MTj éx &sov, 2 Cor. 5: 1, de awtrjQia, Hebr. 5 : 9, de XvrQwaig, 9:12, de xlr^ovo/xia, 9:15, de óo£a, 2 Tim. 2: 10, de paaiXeicc, 2 Petr. 1:11, evenals G-od, Christus, de H. Geest ook eeuwig worden genoemd, Rom. 16 : 26, Hebr. 9 :14, 13 : 8 enz. Daartegenover wordt gezegd, dat de straf der goddeloozen bestaan zal in to ttvq to aïwviov, Mt. 18: 8, 25 : 41, Jud. 7, xolacig aimviog, Mt. 25 : 46, tte&Qog aicoviog, 2 Thess. 1: 9, xoiat; cctwviog, Mk. 3 : 29. Evenals het eeuwige leven, wordt door deze omschrijving de eeuwige straf voorgesteld als te behooren tot den almv peXXwv, waarin geen verandering van staat meer mogelijk is. Nergens duidt de Schrift met eenig woord aan of laat zij zelfs de mogelijkheid open, dat er aan den toestand, die daar intreedt, nog een einde komen kan. En positief spreekt zij uit, dat het vuur daar onuitblusschelijk is, Mt. 3 :12, dat de worm niet sterft, Mk. 9:44, dat de rook der pijniging opgaat in alle eeuwigheid, Op. 14:11, en voortduurt dag en nacht in alle eeuwigheid, 20:10, en dat zij als eeuwige pijn staat tegenover het eeuwige leven der rechtvaardigen, Mt. 25 :46. Onbevangen exegese kan hier niet anders vinden dan eene eeuwige, nimmer eindigende straf. 3° De toestand der verlorenen wordt bescheven als ccrzcoXeia, Mt. 7:13, (p&oQa, Gal. 6: b, oXt^Qog, 2 Thess. 1:9, Vavarog, Op. 2:11 enz., in overeenstemming daarmede, dat in O. en N. Test. menigmaal gezegd wordt, dat de goddeloozen verdelgd, uitgeroeid, verwoest, verdorven, verdaan, buitenge worpen, afgesneden, als kaf verbrand zullen worden enz. De voorstanders van de conditioneele onsterfelijkheid verstaan al deze uitdrukkingen in den zin van eene volkomen vernietiging x). Maar deze opvatting mist allen grond. Leven beteekent in de Schrift nooit puur bestaan, en dood is nooit hetzelfde als vernietiging. Van den tijdelijken, lichamelijken dood kunnen ook de conditionalisten dit niet ontkennen; zij nemen meest als de Socinianen aan, dat de goddeloozen ook na den dood nog blijven voortbestaan, hetzij om eerst na opstanding en eindgericht door God vernietigd te worden, hetzij om langzamerhand weg te sterven en ten slotte ook physisch te gronde te gaan. Het laatste is zoowel wijsgeerig als Schriftuurlijk eene onmogelijke gedachte. Zonde toch is geene substantie, geene materia, maar forma, die een zijn onder-

J) White t. a. p. 358—390.

Sluiten