Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oude voorbijgegaan en alles nieuw is geworden, 2 Cor. 5:17, zoogaat ook deze wereld in haar tegenwoordige gedaante voorbij, om op het machtwoord Gods uit haar schoot aan eene nieuwe wereld het aanzijn te geven. Gelijk bij den enkelen mensch, zoo heeft er aan het einde der dagen ook bij de wereld eene wedergeboorte plaats, Mt. 19 : 28, die geene physische schepping, maar eene geestelijke vernieuwing is *).

Deze vernieuwing der zienlijke wereld stelt de eenzijdigheid van het spiritualisme in het licht, dat de toekomstige zaligheid tot den hemel beperkt. Bij de Oudtest. profetie is er geen twijfel mogelijk, dat zij de zaligheid als eene aardsche beschrijft; zij verwacht, dat het volk Gods na den grooten dag in veiligheid en vrede onder den gezalfden koning uit Davids huis in Palestina wonen en door de heidensche natiën omringd en gediend worden zal. Er ligt waarheid in de woorden van Delitzsch op Jes. 66 :24: Das ist ja eben der Unterschied des A. und N. T., dass das A. T. das Jenseits verdiesseitigt, das N. T. das Diesseits verjenseitigt; dass das A. T. das Jenseits in den Gesichtskreis des Diesseits herabzieht,. das N". T. das Diesseits in das Jenseits emporhebt. Maar toch doen zij de N. T. verwachting van de toekomstige zaligheid niet geheel tot haar recht komen. Er ligt in het N. Test. ongetwijfeld eene vergeestelijking der Oudtest. profetie; wijl Jezus' komst in eene eerste en tweede uiteenvalt, wordt eerst het koninkrijk Gods in geestelijken zin in het hart der menschen geplant; en de goederen van dat rijk zijn alle inwendig en onzienlijk, vergeving, vrede, gerechtigheid, eeuwig leven. Dienovereenkomstig wordt het wezen van de toekomstige zaligheid ook meer geestelijk opgevat, vooral door Paulus en Johannes , als een altijd bij den Heere zijn, Joh. 12:26, 14:3, 17:24, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, 1 Thess, 4:' 17, 5 .10, 1 Joh. 3: 2. Maar toch wordt die zaligheid daarmede niet binnen den hemel opgesloten 2). Dat dit niet het geval kan zijn, blijkt principiëel reeds daaruit, dat het ISf. T. de vleeschwording des AVoords en de lichamelijke opstanding van Christus leert, aan het einde der dagen zijne lichamelijke wederkomst ver-

!) Verg. Thomas, S. Theol. Suppl. qu. 74 art. 1 en qu. 91. Atzberger, Die christl. Eschat. 372 v. Gomarus, Op. I 131—133. 416. Spanheim, Dubia Evang. III 670 — 712. Turretinus, Th. El. XX qu. 5. De Moor, Comm. VI 733—736. M. Vitringa, Doctr. IV 186—215. Kliefoth, Eschat. bl. 297 v.

2) Zooals H. Bois meent, La terre et Ie ciel, Foi et Vie, 15 Aout—1 Oct. 1906, omdat le terme ciel fait moins courir le danger de matérialiser la vie future, bl. 585.

Sluiten