Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In aansluiting bij en met beroep op deze laatste reeks teksten hebben velen de hope gekoesterd, dat ten slotte, zoo niet alle schepselen, dan toch alle menschen en, indien ook dit niet het geval mocht zijn, dan toch verreweg de meeste menschen zalig zonden worden; de hel zou in het geheel niet bestaan of slechts een kleine uithoek zijn in het heelal. Zij grondden deze hunne verwachting öf op de mogelijkheid, om ook zalig te worden door de werken der wet (Pelagianen, Socinianen, Deïsten enz.), óf op de gelegenheid, om ook na den dood in den tusschentoestand of zelfs na den oordeelsdag het Evangelie te hooren en in den geloove aan te nemen (Universalisten). Deze gevoelens zijn vroeger reeds beproken en behoeven dus thans niet meer aan de Schrift getoetst te worden ]). Maar ook onder hen, die de belijdenis vasthouden, dat niemand tot den Vader komt dan door Christus en dat er maar één naam onder den hemel ter zaligheid gegeven is, Joh. 14: 6, Hd. 4 :12, zijn er altijd enkelen geweest, die aan de mogelijkheid der zaligheid in dit leven buiten de prediking van het Evangelie hebben geloofd. Zij leerden alzoo ten aanzien van de kinderen des verbonds, van al de jongstervende kinderen binnen en buiten de grenzen des Christendoms, van idioten, krankzinnigen, doofstommen, die feitelijk van de prediking des Evangelies verstoken waren, en ook van sommige of van vele Heidenen, die in hun helder inzicht en deugdzaam leven bewijzen gaven van eene waarachtige godsvrucht. Sommige kerkvaders namen eene werkzaamheid van den Logos in de Heidenwereld aan a). Augustinus geloofde, dat er van den beginne af aan niet alleen onder Israël, maar ook onder andere volken altijd enkelen waren geweest, die in den Logos geloofden en naar zijne geboden vroom en rechtvaardig leefden 3). Abaelard beweerde, dat ook Heidenen de zaligheid konden deelachtig worden 4). Volgens Strausz sprak Luther eenmaal den wensch uit, dat God ook mannen als Cicero en Seneca genadig mocht zijn, en wilde Melanchton in het midden laten, of Hij soms langs een bijzonderen weg aan Solon, Themistocles e. a. eenige kennis van de vergeving in Christus had medegedeeld 5). Zwingli sprak

*) Verg. boven bl. 786 v.

2) Verg. deel I 330 v.

3) Augustinus, Ep. 102. de civ. Dei XVIII 47 en andere plaatsen bij Reuter,. Aug. Studiën 1887 bl. 90 v.

4) Bij Mitnscher- von Coelln, 1). G. II 147.

5) Strausz, Chr. ül. I 271.

Sluiten