Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beslister en geloofde, dat God ook onder de Heidenen zijne uitverkorenen had x). Maar anderen lieten alleen de mogelijkheid open en durfden niet meer dan hopen en wenschen2). Dit gevoelen bleef echter altijd het gevoelen van enkelen; de kerken lieten er zich in hare confessies niet over uit en de meeste theologen kwamen er tegen op 3). Iets gunstiger oordeelde men over de zaligheid der jongstervende kinderen. De Roomsehen leeren, dat alle Christenkinderen, die, voto of re gedoopt, sterven, zalig worden en alle andere vroegstervende kinderen in den limbus infantum eene poena damni, niet sensus, lijden 4). De Lutherschen oordeelen ten aanzien van de Christenkinderen als de Roomschen en laten de anderen aan Gods oordeel over 3). De Gereformeerden neigden ertoe, om te gelooven, dat alle in het verbond der genade geboren en dan vóór de jaren des onderscheids door den dood weggenomen kinderen de hemelsche zaligheid deelachtig worden 6), hoewel velen ook hier tusschen verkoren en verworpen kinderen onderscheid maakten en niet aan elk dezer kinderen individueel met zekerheid de zaligheid durfden toekennen T). "Wat de vroegstervende kinderen buiten het verbond betreft, oordeelden sommigen vrij mild; Junius vermoedde liever uit liefde, dat zij behouden dan dat zij verloren waren8), en Yoetius zeide:

i) Zwingli, Christ. fid. expos., Op. IV 65. In de achttiende eeuw vond de leer, dat ook Heidenen zalig konden worden, vele voorstanders, bijv. Leibniz, bij Picliler, Die Theol. des Leibniz I 360 v., Eberhard, Neue Apologie des Sokrates oder ITntersuchung der Lehre von der Seligkeit der Heiden 1772 enz. verg. Bretschneider, Syst. Entw. bl. 679. Hier te lande gaf de uit het Fransch vertaalde, philosopbische roman Bélisaire van Jean Franrois Marmontel, uitgekomen in het jaar 1766 aanleiding tot een heftigen twist over de vraag, of de deugd, door een Socrates, Titus, Antoninus enz. beoefend, hen tot de hemelsche zaligheid kon leiden. Ds. Petrus Hofstede bestreed dit, maar de Remonstr. predikant Nozeman verdedigde het, Ypey, Gesch. d. Chr. Kerk in de achtt. eeuw III 166 v. Ypey en Dermout, Gesch. d. Ked. Herv. Kerk III 539. En vooral de disertatie van Dr. de Bie over P. Hofstede.

*) Zoo bijv. a Lasco, bij Kuyper, Heraut 1047. Zanchius, bij Shedd, Dogm. Theol. I 436 II 704. Bilderdijk, Brieven V 81. Kuyper Heraut 594, 1047. Shedd, Dogm. Theol. t. a. p. Ebrard, Das Dogma v. h. Ab. II 77. Zie voor het gevoelen der Roomschen Pohle, Dogm. II4 414-433.

3) Litt. bij M. Vitrin.qa, Doctr. I 29.

4) Lombardus e. a. op Sent. II dist. 33.

5) Gerhard, Loc. XVI § 169. Buddeus, Inst. theol. V 1, 6.

*) Can Dordr. I 7. Yoetius, Disp. II 417.

7) Martyr, Loei Comm. bl. 76, 436 en zoo Beza, Pareus, Zanchius, Perkins e. a.

®) Junius, Op. II 333.

Sluiten