Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of zij verloren zijn dan of sommigen onder hen uitverkoren zijn en vóór hun sterven wedergeboren worden, nolim negare, affirmare non possum1).

Met de Schrift in de hand kunnen wij, zoowel in betrekking tot de zaligheid der Heidenen als tot die der vroegstervende kinderen, niet verder komen, dan dat wij van een beslist en stellig oordeel in positieven of negatieven zin ons onthouden. Alleen verdient het opmerking, dat de Gereformeerde theologie bij deze ernstige vragen in veel gunstiger conditie verkeert dan eenige andere. "Want alle andere kerken kunnen hierbij dan alleen een zachter oordeel koesteren, wanneer zij op hare leer van de volstrekte noodzakelijkheid der genademiddelen terugkomen of op die van de verdoemelijkheid der zonde inbreuk maken. Maar de Gereformeerden wilden ten eerste de mate der genade niet vaststellen, waarmede een mensch ook onder vele dwalingen en zonden nog aan God verbonden kan zijn noch den graad der kennis bepalen, die tot zaligheid onmisbaar noodig is 2). En ten andere hielden zij staande, dat de middelen der genade niet absoluut noodzakelijk waren tot de zaligheid en dat God ook buiten woord en sacramenten kon wederbaren ten eeuwigen leven3). In de tweede Helv. Confessie, art. 1 luidt het: agnoscimus Deum illuminare posse homines, etiam sine «xterno ministerio, quos et quando velit; id quod ejus potentiae est. En de Westminstersche belijdenis spreekt in cap. X § 3 uit, dat uitverkoren kinderen, die in hun kindsheid sterven, wedergeboren en behouden worden door den Geest van Christus, qui quando et ubi et quo sibi placuerit modo operatur, en dat dit ook geldt van de overige uitverkorenen, quotquot externae vocationis per ministerium verbi sunt incapaces. Reuter zegt daarom terecht, als hij de leer van Augustinus op dit punt heelt uiteengezet: In der That es lasst sich das Paradoxon rechtfertigen, gerade die partikularistische Pradestinationslehre habe jene universalistisch klingenden Phrasen ermöglicht 4). In de Gereformeerde theologie komen zelfs de bovenaangehaalde universalistische teksten der Schrift het best

*) Voetius, Disp. II 413. Verdere litt. bij M. Vitringa, Doctr. II 51, 52, en verg. vooral B. War field, The development of the doctrine of infant salvation in : Two studies in the history of doctrine. New-York 1897 bi. 143—299.

2) Voetius, Disp. II 537, 538, 781. Witsius, Apost. Geloof II 2 en 15. Spanheim, Op. ILI 1291.

3) Calvijn, Inst. IV 16, 19.

4) Beuter, August. Studiën bl. 92.

Sluiten