Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met God, met de engelen, en van de zaligen onderling in diepte en in innigheid toe. In die gemeenschap heeft elk, gelijk in de gemeente hier op aarde, Rom. 12:4—8, 1 Cor. 12, in verband met zijn persoon en karakter, een eigen plaats en taak. Van de werkzaamheid der zaligen mogen wij ons geene klare voorstelling kunnen vormen, de Schrift leert toch, dat het profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt, hetwelk de mensch oorsponkelijk bezat, in hen door Christus ten volle hersteld is. De dienst van God, de onderlinge gemeenschap en de bewoning van den nieuwen hemel en d& nieuwe aarde bieden ongetwijfeld voor de uitoefening van deze ambten overvloedige gelegenheid, ook al is de vorm en wijze ervan ons onbekend. Maar dat werken is een rusten en genieten tevens. Het onderscheid van dag en nacht, van sabbat en werkdagen heeft opgehouden; de tijd is doordrongen van de eeuwigheid Gods; de ruimte is vol van zijne tegenwoordigheid; het eeuwige worden is gehuwd met het onveranderlijke zijn. Zelfs de tegenstelling van hemel en aarde is verdwenen. Want alwat in den hemel en op aarde is, is tot één vergaderd onder Christus als Hoofd, Ef. 1:10. Alle schepselen zijn en leven en bewegen zich in God, die alles in allen is, die in den spiegel zijner werken al zijne deugden weerkaatst en daarin zichzelven verheerlijkt1).

i) Verg. over de hemelsche zaligheid: Augustinus, de civ. XXII c. 29. 30. Lombardus, Sent. IV dist. 49. Thomas, suppl. qu. 92—96. Bonciventura, Brevil.

VII c. 7. Oswald, Eschat. 38—57. Atzbergcr, Die christl. Eschat. 238 v. O. Ritschl, Luthers Seligkeitsvorstellung in ihrer Entstehung und Bedeutung, Christl. Welt 1889 bl. 874—880. Gerhard, Loc. XXXI. Quenstedt, Theol. I 550—560. Polanus, Synt. VI c. 72—75. Walaeus, Synopsis pur. theol., disp. 52. Mastricht, Theol.

VIII 4, 10. Turretinus, Theol. El. XX qu. 8—13. Marck, Exspect. J. C. III c. 8. 10. 11. De Moor, Comm. VI 718—733. M. Vitringa, Doctr. IV 179. Kliefoth, Eschat. 311 v. Kaliler, art. Ewiges Leben in PRE3 XI 330—234. Seligkeit ib. XVIII 179—184 enz.

Sluiten