Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de namen Gods, II 81 — de almacht Gods, II 252 — de praedestinatie, II 368, 374 v., 399 — het decretum horribile, II 412 — de erfzonde, III 86 v. — de heilsorde,

III 593 v., 596 v., 670 v„ IV, 151 — zijn bekeering, III 596 v. — zijn doopsbeschouwing, IV 32vgl. ook N. 2 — over het geloof, IV 99 v., 120 v. — de rechtvaardigmaking,

IV 208 v. — als ethicus, IV 260 v., 287 — over de kerk, IV 312 — als vader van de presbyteriale kerkregeering, IV 422 v. — over kerk en staat, IV 444 — de kerkelijke tucht, IV 446 v. — natuur en genade, IV 477 — de sacramenten, IV 512 — het avondmaal, IV 610 v. — den tusschentoestand, IV 671.

Camero; I 184; IV 50, 64.

Campbell, R. J.; over Christus, III 323, 324, 393.

Campbell, Dr. J. Mac Leod; over de verzoening van Christus, III 391, 446 N. 6, 523 v.

Canisius; I 146.

Canus Melchior; zijn Loei Theologici,

I 3, 88, 144, 145 — over den laatsten grond des geloofs, I 623 v.

Cappellus; I 184 — over den tusschentoestand, IV 672.

Cartesius als philosoof; I 214, III 616 — over de aangeboren begrippen,

II 35 — bestreden door Voetius, II 43 — over God als causa sui, II 146.

Cassiodorus; I 134.

Catharinus; over de erfzonde, III 83.

Celsus; zijn bestrijding van de Schrift, 438.

Channing, W. E.; I 203.

Chemnitz, M.; I 155.

Chrismann; over de inspiratie der Schrift, I 430 v.

Cicero; over de aangeboren begrippen,

II 35 — zijn ontkenning van de praescientia Gods, II 189, 392.

Clemens Alexandrinus; I 83.

Clemens Romanus; over de Heil. Schrift, I 423.

Coccejus; zijn Theologie enz., I 93.183,

III 217 v. over de alomtegenwoordigheid Gods, II 156 — het beeld Gods, II 590.

Comrie, Al.; I 188, III 608 — over de verkiezing van Christus en de gemeente, II 377, 402; III 298-geloof en rechtvaardigmaking, IV 103 v„ 123, 211, 212 N 1, 228, 229, 230, 232.

Coornheri D.; over de natuurlijke goedheid des menschen, III 73.

Court, Ant.; I 189.

Crell.; Zijn loochening van de alomtegenwoordigheid Gods, II155.174.

Cremer, H.; over het begrip van het Absolute, II 99; den doop IV 559 N. 2.

Cyprianus ; over het primaat van Rome IV 384, 384.

Cyrillus; over de vereeniging der twee naturen in Christus III 328.

D.

Dale, R. W,; over de verzoening van Christus, III 391.

Damascenus, Joh.; I 84, 123; als voorstander der beeldenvereering 1124

— over de kennisse Gods, II 11, 88, 113.

Darby, J.; IV 316.

Darmesteter, J.; over de verhouding van Parzisme en Judaisme II, 466.

Darwin Ch.; I 278, II 546, III 186, IV 714. Zie ook Darwinisme.

Darwin, G. H.; over het ontstaan der wereld, II 518, 537 N 3.

Daub; over engelen en duivelen, II 469.

Daubanton ; over de voortplanting van het menschelijk geslacht, II 624 N 2; 626 N 3, 627 v.

Delage, Yves; over herediteit enz. III106.

Delitzsch, Franz; Zijn trichotomisme en leer over het tusschenlichaam na den dood, II 596 N 2, IV 682

— over de wedergeboorte IV 40.

Delitzsch, Friedrich; over de openbaring, I 302 — den naam Jehova, II 129 v. — de plaats van het paradijs, II 564.

Denifle; over Luther, IV 203.

Sluiten