Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dickinson John; I 203.

Dieckmann; III 660.

Diestel; over de heiligheid Gods II213.

Dionysius, Areopagita (Pseudo), 1122,

— over de kennisse Gods, II 12, 88, 113, 116 — de schepping, II 429 — de hierarchie in hemel en op aarde, II 476.

Dippel, J. C.; over het lijden en sterven van Christus, III 375 v.

Doedes; zijn onderscheiding van drieërlei dogmatiek, I 37 — over gelooven op gezag, I 488; gelooven en weten, I 579 — de verdediging van het Christendom, I 544 — zijn leer van God, II 102 — zijn bestrijding van de schepping als een werk van de drie personen, ]] 444 v. — over den doop, IV 567.

Dorner; als Vermittlungstheoloog, I 47, 551 v. — de onveranderlijkheid Gods, II 144 v. — over de eigenschappen Gods en hare indeeling, II 118 — zijn Christologie, III 327

— over de rechtvaardigmaking, IV 208.

Dreyer, O; I 9.

Drews, Arthur; zijn bestrijding van de volmaaktheid en algenoegzaamheid Gods, II 206 — over Christus en de verlossing, III 382, 383.

Driessen; over het geloof, IV 106JN. 3.

Drummond, Henry; I 198, 200.

Duns Scotus, Joh.; I 139v. — over de kennisse Gods, II 14 — het wezen Gods, II 94, 101 — den wil Gods,

II 235 v. — de menschwording van Christus en de voldoening, II 237,

III 371 v. 447.

Durand de St. Portiano; I 140.

Ebrard; karakter zijner dogmatiek, I 559, — over wedergeboorte en bekeering, IV 46, 47, N 3.

Eek, Dr. foh.; I 143.

Edgar, R. Mc. Ch.; over de methode der dogmatiek I 81.

Edwards, Jon. Sr.; I 202; II 381 — over de erfzonde III 89, 101 — de

onmacht des menschen ten goede,

III 116 — de affekten, IV 161 — als prediker, IV 163 v.

Edwards, Jon. Jr; I 202.

Emmons, Nath.; I 202.

Erasmus-, I 44.

Erastus; IV 446, 448.

Erigena, Joh. Scotus; I 136 — over God, II 12, 113, 441 — de schepping, II 429, 441.

Erskine, R. en Eb.; I 190, III 522 v.

Erskine, Thomas; over het werk van Christus, III, 393.

Eucken; over oorsprong en wezen van religie en Christendom, I 281 v.,

IV 36 v.

Eunomius; over God en onze kennis van Hem, II, 23, 108, 167, 294.

Eutyches; over de vereeniging der beide naturen in Christus, I 120, III 328, 333.

F.

Farrar, F. W.;\ 198.

Fechner; over den dood, III 190, N. 3

Feuerbach, over religie (theologie) en philosophie, I 261 v., II 19.

Fichte, J. G.; I, 215, III 622 v„ IV 36 over religie en zedelijkheid, zedelijke wereldorde, I 266 — de openbaring, I 297 v. - de Godsidee, II 17, 21, 96 — Christus en zijne beteekenis voor ons, III 274, 624 — den weg des heils, III 622 v.

Finney; Zijn prediking van de bekeering, IV, 164.

Flacius; over de erfzonde, III 87, IV, 54, N. 1.

Fox, G.; I 186.

Frank; zijn Theologie, 1559 v. — over den doop, IV 559 N. 2.

Frohschammer, J.; I 150.

Frommel Gaston; over de vergeving en hare voorwaarden, III 409N.l.

Sluiten